Dit is archiefpagina 8 van de rubriek Weetje v/d Week.
Klik verder naar alle eerdere updates, van Weetje 176 tot 200:
200 Onvoltooid project (22): Lefranc 2 door Jacques Martin
199 Onvoltooid project (21): Corto Maltese door Christophe Blain en Joann Sfar
198 Onvoltooid project (20): La Planète Perdue door Patrice Pellerin 
197 Onvoltooid project (19): Bob Morane door Christophe Bec en Tome 
196 Het enige, unieke exemplaar van Snark, de voorloper van Métal Hurlant
195 Weetjes over Jean Van Hamme
194 Onvoltooid project (17): Blueberry door François Schuiten
193 Invaller Christian Denayer voor Rik Ringers 
192 Onvoltooid project (16): De Maltezer door Luc Foccroulle en Bom / Onvoltooid project (17): Trent door Olivier TaDuc en Rodolphe 
191 Een komedie van Tibet door een dozijn toptekenaars
190 De mysterieuze verdwijning van een scenarist
189 Onuitgegeven Chlorophyl-plaat
188 Op ziekenbezoek bij Peyo met vetzakkerij onder de arm
187 Bouncer 8.5
186 Bessy winkelde ook bij Matho Tonga
185 Onvoltooid project (15): Spaghetti door Dino Attanasio en Yann 
184 Afscheid van een geliefde in Bollie & Billie
183 Leentjebuur Bessy en De Rode Ridder bij Blueberry
182 Onvoltooid project (14): Chlorophyl door Pierre-Yves Gabrion en Michel Plessix 
181 De uitschuivers van Lucky Luke
180 Prettige verjaardag, Robin Hoed!
179 Vriendendiensten
178 Geweigerde strip van Ralph Meyer
177 Pomme, een minder gekend gagreeksje van Jean Roba 
176 Reünie van stripfiguren op een Kuifje-poster
 
Onvoltooid project (22): Lefranc 2 door Jacques Martin
05/09
TOP
Lefranc
In juli 2015 pakte de in het werk van Jacques Martin gespecialiseerde blog AlixMag' uit met bovenstaande niet eerder gepubliceerde plaat van Lefranc.

Na zijn eerste Lefranc-album Het Sein Staat op Rood, dat hij in 1952 voor het weekblad Kuifje creëerde, was hij van plan om verder te gaan met de reeks. Hij begon aan een tweede verhaal waarvan hij twee pagina's tekende en enkele potloodschetsen. Omdat hij in 1954 in dienst ging als assistent voor Hergé moest hij Lefranc aan de kant schuiven. Jo, Suus en Jokko's De Najavallei en het Kuifje-verhaal De Zaak Zonnebloem kregen voorrang.

De redactie van Kuifje was trouwens niet gewonnen voor Lefranc nog voor het eerste verhaal van start ging. Ze hadden liever dat hij doorging met Alex. Martin wist toch zijn zin door te drijven. En de lezers volgden hem want het spannende verhaal viel duidelijk in de smaak. De redactie waaide met de wind mee en stelde Martin voor om te stoppen met Alex en enkel met Lefranc door te gaan. Dat ging voor Martin dan weer te ver en opnieuw wist hij de redactie om te praten. Alex tekende hij namelijk toch wel liever. Hij zou in het vervolg wel beide reeksen met elkaar afwisselen.

Door zijn werkzaamheden bij Studio Hergé had hij echter nauwelijks tijd om zich aan zijn eigen reeksen te wijden. In deze studioperiode (van 1954 tot 1971) publiceerde hij slechts zeven albums van Alex, van De Tiara van Oribal tot Iorix de Grote, en twee van Lefranc, De Vlammenzee en De Giftige Sneeuw. Tussen de Alex-verhalen De Zwarte Klauw en De Verloren Legioenen zaten vijf jaar waarin Martin trouw voor Hergé werkte. In 1962 vond hij toch nog tijd om aan een nieuw Alex-verhaal te beginnen. Het was het eerste van wat nu zijn klassieke periode wordt genoemd.

Nadat hij de studio in 1971 verliet, slaagde Martin erin om zijn productie te verdubbelen door Alex in de helft van de tijd te tekenen als voorheen. Hij maakte ook nieuwe avonturen van Lefranc die voortaan werden getekend door Bob De Moor (die aanvankelijk decors tekende en het volledige verhaal Het Hol van de Wolf) en nadien door Gilles Chaillet, Christophe Simon, Francis Carin, André Taymans en Erwin Drèze, Régric en Alain Maury.

Het verhaal waar Jacques Martin na Het Sein Staat op Rood aan begon, hebben tekenaar André Taymans en decortekenaar Erwin Drèze op scenario van Michel Jacquemart meer dan een halve eeuw later alsnog uitgewerkt als De Meester van het Atoom, in 2006 verschenen als deel 17 in de reeks Lefranc.


Onvoltooid project (21): Corto Maltese door Christophe Blain en Joann Sfar
29/08
TOP
Corto Maltese
Corto Maltese
In 2013 tekende Christophe Blain op scenario van Joann Sfar twee proefplaten van Corto Maltese. Dat gebeurde op vraag van uitgeverij Casterman met de bedoeling de reeks van Hugo Pratt voort te zetten. Beide platen doken in augustus 2015 op het internet op waarbij werd beweerd dat Casterman het project weigerde omdat het te sterk afweek van het origineel, te hevig en te persoonlijk was. Sfar, een groot bewonderaar van Pratt, kroop daarna in de pen om verduidelijking te geven.

Ten eerste baseerde Sfar zich op een uitspraak van Pratt in een interviewboek waarin hij stelde dat als men op een dag de reeks Corto Maltese voortzet het net zo veranderd moet worden als Frank Miller Batman veranderde. Toch nog uit trouwheid aan het werk van Pratt nam Sfar enkele schetsen van Pratt als basis (zie hieronder) voor een niet verder uitgewerkt verhaal waarin Corto op weg naar China via Indië reist waar hij op zijn eigen proces de jonge advocaat Mahatma Gandhi ontmoet. Sfar maakte daarvan dat Gandhi in 1915 Corto Maltese verdedigt voor de rechtbank. Corto werd verraden door zijn opdrachtgevers en hij dreigt gevonnist te worden voor smokkelarij. Een man met gasmasker komt de boel verstoren en Corto redden. Het is niemand minder dan Raspoetin.

Corto Maltese

Casterman was enthousiast, maar dat was buiten Pratts weduwe en erfgename Patrizia Zanotti gerekend. Zij had volgens Sfar al een jaar eerder twee andere auteurs uitgekozen die veel trouwer aan het origineel een nieuw verhaal maakten volgens het principe van Blake en Mortimer waarbij de opvolgers van Edgar P. Jacobs de stijl van de meester zo gelijk mogelijk dienen te volgen. By the way, over een geweigerd Blake en Mortimer-project van Sfar hadden we het hier al.

Blain ging Zanotti opzoeken, Sfar weigerde mee te gaan omdat hij vreesde dat hij een hartig woordje over de manier van werken zou zeggen. Zanotie weigerde het project van Blain en Sfar te beoordelen omdat de beslissing al was gemaakt. Ze wilde de andere auteurs niet benadelen... althans volgens Sfar. Casterman probeerde nog te bemiddelen door Blain en Sfar de toelating te verlenen om een parallelle serie van Corto Maltese op te zetten, maar dat weigerde Sfar omdat hij dat een belediging vond voor beide auteursduo's en voor Corto Maltese. Sfar verwijt het andere duo, de officiële opvolgers Rubèn Pellejero en Juan Díaz Canales, helemaal niets want ze zijn compleet onschuldig. Hij trok daarentegen de praktijken van Casterman in twijfel.

Casterman reageerde bij monde van uitgever Benoit Mouchard dat ze effectief aan Sfar hadden voorgesteld om eens na te denken over een voortzetting van Corto Maltese. Na een brief van Sfar met een voorstelling van het verhaal en het voornemen om met Blain te werken, stelde Casterman dat het niet geconcretiseerd kan worden zonder de goedkeuring van de rechthebbenden. Bij een ontmoeting tussen Mouchart en Zanotti in april 2013 legde de uitgever het idee van Sfar voor aan de weduwe die hem daarop duidelijk maakte dat Canales enkele jaren geleden al een synopsis had geschreven van een nieuw verhaal dat vervolgens on hold werd gezet omdat er nog geen geschikte tekenaar was gevonden. Casterman liet Blain alsnog de proefplaten tekenen die bij een volgende ontmoeting aan Zanotti konden voorgelegd worden. Zij reageerde geschokt. Het was de eerste keer dat ze stripplaten van Corto Maltese zag die niet door haar overleden man waren getekend. Ze hield van de twee pagina's, maar na wat nadenken vond ze het moreel niet kunnen om Canales te passeren. Ondertussen had ze ook al een tekenaar in gedachte. De weigering van het project door Blain en Sfar kwam door een gegeven woord en niet omwille van de artistieke of commerciële waarde ervan. In december 2013 overtuigden de proefplaten van Pellejero alle betrokken partijen van de gemaakte keuze. Op dat moment waren Blain en Sfar niet langer potentiële auteurs van Corto Maltese.
(Bron: www.2dgalleries.com)


Onvoltooid project (20):
La Planète Perdue door Patrice Pellerin
22/08
TOP
La Planète Perdue
La Planète PerdueIn 2009 bekende Patrice Pellerin, nochtans gekend van historische gesitueerde reeksen als De Havik, Roodbaard (tekenaar van twee albums) en De Onthoofde Arenden (scenarist van drie albums) in een interview met De Stripspeciaalzaak een hevig sciencefictionfan te zijn. Tussen 1985 en 1990 tekende hij talloze schetsen en 32 pagina's van het onafgewerkte La Planète Perdue (De Verloren Planeet) dat voor uitgeverij Novedi was bestemd. Novedi was in die periode de uitgever van Roodbaard en die reeks van Jean-Michel Charlier had ook absolute prioriteit volgens het contract dat hij tekende. Van zodra Charlier een nieuw gedeelte van het scenario gaf, moest hij zich daar dus aan wijden. Voor elke plaat van zijn sf-project werd hij ondertussen wel netjes betaald.

Maar Charlier overleed in 1989. Novedi verzocht Pellerin met La Planète Perdue te stoppen en zich exclusief aan Roodbaard te verbinden. Dat was ook een verlangen van de weduwe en de zoon van Charlier. Pellerin was al op goede weg want voor zijn derde Roodbaard-verhaal verzamelde de tekenaar zelf de documentatie waar het Charlier doorgaans aan ontbrak voor deze piratenserie. Pellerin zou ook de synopsis schrijven die Charlier dan in aantal pagina's zou verdelen en er de dialogen voor zou uitschrijven. Al dat werk nam Pellerin na de dood van Charlier op zich. Hij kwam tot een volledig gestoryboard verhaal van 44 pagina's waarvan hij er tien uittekende. Ondertussen trokken verschillende uitgevers aan de serie om zich de rechten toe te eigenen terwijl de erfgenamen van Charlier, van de oorspronkelijke tekenaar Victor Hubinon en van opvolger Jijé het ene na het andere proces aanspanden om de auteursrechten. Pellerin gooide de handdoek in de ring en zijn Roodbaard-voorstel recupereerde hij voor zijn eigen, gloednieuwe reeks De Havik waarin Roodbaards zoon Erik werd getransformeerd in Yann de Kermeur, het hoofdpersonage van De Havik.

La Planète Perdue

Pellerin koesterde meermaals het plan om het werk aan La Planète Perdue te hervatten omdat hij geen zin had om alleen maar De Havik op zijn conto te hebben staan. Na de eerste zesdelige cyclus was het al eens gepland, maar daarna begon hij aan de tweede cyclus met een telkens grotere periode tussen twee albums. De Havik kost hem veel meer tijd omdat hij ontzettend veel historisch opzoekingswerk verricht. Aan zijn sf-strip, waarvan hij maximaal twee of drie albums wilde maken, zou hij veel minder tijd spenderen, maar nog steeds in dezelfde realistische stijl getekend als De Havik.

Dat sf-project zullen we wellicht nooit te zien krijgen. We zullen het moeten stellen met plaatjes zoals de vier die dit artikel illustreren.
La Planète Perdue


Onvoltooid project (19):
Bob Morane door Christophe Bec en Tome
15/08
TOP
Bob Morane
Voordat de reboot van Bob Morane groen licht kreeg van uitgeverij Le Lombard liepen Christophe Bec (Bunker, Carthago, Duisternis, Heiligdom, Prometheus) en Tome (Robbedoes en Kwabbernoot, De Kleine Robbe, Soda, Hard tegen Hard) al rond met plannen voor een eigen interpretatie van de romanfiguur van Henri Vernes. Bec zou het tekenen en Tome schrijven. In tegenstelling tot de reboot zou het om een "echte" Bob Morane gaan, legde Bec uit. Hij loopt niet hoog op met het rebootplan. Henri Vernes, de schepper van Bob Morane, was dan weer niet te vinden voor een retroversie en wilde liever een hedendaagsere versie.

Voor Bec zou het een mooie kans geboden hebben om zich te meten met William Vance, de striptekenaar die hem de zin gaf om zelf in het vak te stappen. Vance tekende van 1969 tot 1979 de verhalen van Bob Morane. Bovenaan dit artikel vind je ontwerpschetsen van Bob Morane door Bec, hieronder van het personage Sophia Paramount.

Sophia Paramount

Bec recupereerde vervolgens het project voor het Bob Morane-verhaal voor een eigen nieuwe creatie: Lancaster, getekend door Jean-Jacques Dzialowski (Groom Lake). Daarvan verschenen twee albums bij Glénat, maar die flopten genadeloos. Bec gaf als excuus dat het een van zijn series is die hij een beetje verkeerd heeft aangepakt. Het was mossel noch vis. Hij vond dat hij er meer een parodie van heeft moeten maken. Nu was het een zoveelste reeks met actie, avontuur en mysterie.
Lancaster 1
Lancaster 2


Het enige, unieke exemplaar van Snark,
de voorloper van Métal Hurlant
08/08
TOP
Snark
Op de website van La Cité Internationale de la Bande Dessinée et de l'Image (zo'n beetje het Franse Belgisch Stripcentrum in Angoulême) was in februari 2014 een artikel te lezen over Snark, de voorloper van het grensverlegende stripblad Métal Hurlant waarin een hele generatie stripmakers publiceerde dat talloze collega's, maar ook filmmakers en kunstenaars zou beïnvloeden. Het Franse museum is in het bezit van het 64 pagina's tellende nulnummer van Snark waar welgeteld één exemplaar van bestaat: de maquette van het blad dat nooit verscheen. Een aantal strippagina's bestaat slechts uit fotokopieën van slechte kwaliteit. De inhoud was nochtans veelbelovend.

Métal Hurlant startte in 1975. Twee jaar tevoren werkte Jean-Pierre Dionnet (scenarist van onder meer De Legers van de Veroveraar en De Wraak van Arn en in Frankrijk een gezaghebbend tv-producer en filmjournalist) aan het project Snark voor uitgever Fernand Nathan. Het nulnummer is gedateerd op juli 1973. In dat jaar publiceerde Jean Giraud in het stripblad Pilote een eerste kortverhaal waarin de kern lag voor zijn latere productie onder het pseudoniem Mœbius. Met dat pseudoniem ondertekende hij ook het komische stripje op de cover van Snark.

Snark bevatte ook twee pagina's met een eerste versie van de sf-strip Exterminator 17, gechreven door Dionnet en getekend door Enki Bilal. Een gewijzigde en definitieve versie vond zijn weg naar Métal Hurlant.

Exterminator 17
Exterminator 17

Ook Jacques Tardi was van de partij in Snark. In samenwerking met Jean-Michel Nicollet tekende hij Hermann Watt dat het niet verder schopte dan deze drie pagina's.

Hermann Watt
Hermann Watt
Hermann Watt

De eerste plaat van een fantasyproject, Aux Portes des Abysses, door Loro bleef beperkt tot de introductiepagina.

Aux Portes des Abysses

In Snark stonden ook al de eerste pagina's te lezen van Jean-Pierre Gals De Legers van de Veroveraar die konden worden gerecupeerd voor Métal Hurlant. Kortverhalen, cartoons en gags waren er ook nog van de van de hand van René Pétillon, François Truchaud en Annie Goetzinger, de op 31 juli 2015 overleden Loup, Jacques Lob, Jean Anquetil en Yves Got, Jean-Claude Forest (met een nieuw verhaal van de erotische sf-reeks Barbarella) en Michel Bridenne.

Het nulnummer van Snark is enkel op afspraak in te lezen in het documentatiecentrum van museum.


Weetjes over Jean Van Hamme
11/07
TOP
In het boek Mémoires d'Écriture, uitgegeven door Bamboo onder het label Grand Angle, blikt Jean Van Hamme op een drafje terug op zijn carrière. Het boek is rijkelijk voorzien van illustraties en snel uitgelezen. We haalden er niettemin een sliert weetjes uit die wellicht minder tot geheel niet bekend zijn. Deze week een eerste gedeelte, volgende week een aanvulling.

Jean Van Hamme als stripvertaler. Op zijn vijftiende of zestiende schreef hij zijn eerste kortverhalen van twee tot drie pagina's. Hij zag zichzelf al als de volgende Ernest Hemingway of Georges Simenon, maar de teksten waren nog vrij schools. Zijn enige publiek was zijn vader. Zijn moeder overleed op jonge leeftijd. Enkele jaren later zag hij een van zijn teksten gepubliceerd in een obscuur literair magazine onder het pseudoniem René Pageant. Zijn vader had de tekst opgestuurd naar het magazine terwijl Jean op reis was. Bij terugkeer presenteerde vaderlief een cheque van 250 Belgische frank voor de publicatie van het verhaal. Jean heeft zijn eerste auteursrechten nooit verzilverd en de cheque als een talisman bewaard. Tijdens zijn universiteitsjaren kreeg hij de kans om Amerikaanse strips te vertalen die in het weekblad Le Moustique verschenen, de Waalse tegenhanger van Humo, toen eveneens uitgegeven door Dupuis. Charles M. Shulz' Peanuts was een van die reeksen. Dit eerste stripgerelateerde werk oefende hij verschillende jaren uit.

Jean Van Hamme als ondergewaardeerd gagschrijver. Dankzij Greg, met wie Van Hamme snel bevriend raakte, kreeg de man die graag verhalen vertelde de opdracht om enkele scenario's te vervolgen die on hold stonden, met name Gregs eigen verhalen. Voor André Franquin schreef hij in 1955 enkele gags van Ton en Tineke waarvan hij er maar een paar gebruikte (en netjes betaalde). Tussen 1968 en 1969 schreef hij een dertigtal gags voor achtereenvolgens Dino Attanasio en Mittéï die Ton en Tineke hadden overgenomen. Het was voldoende om erachter te komen dat komische strips zijn kopje thee niet waren. Attanasio keek neer op het vak van scenaristen. Hij vond het zelfs beledigend dat Van Hamme om zijn centen vroeg. In een beleefde brief legde de tekenaar uit dat Van Hamme het net een eer moest vinden om voor zo'n groot tekenaar als Attanasio te mogen werken. De grote tekenaar schreef niettemin een cheque uit met een klein bedrag. Van Hamme drong niet verder aan. Hij liet het schrijven voor wat het was na een paar laatste gags voor Mittéï.

Jean Van Hamme als mislukt hoofdredacteur. Behalve een diploma van handelsingenieur, had Van Hamme ook een licentie als journalist. Dat vond hij in 1968 sterk genoeg om Yvan Delporte op te volgen als hoofdredacteur van het weekblad Robbedoes. Zijn eerste zet was om Franquin, Jean Roba, Peyo en Morris — de "fantastic four" — te bezoeken om hen achter zijn kandidatuur te scharen. Hij leerde snel dat ondanks de vriendelijke ontvangst het hen geen zier kon schelen wie de nieuwe hoofdredacteur zou worden. Uitgever Charles Dupuis trok zich daar wel wat van aan. Een avontuurlijk cv, een gebrek aan ervaring op tijdschriftgebied waren niet de doorslaggevende argumenten om hem niet aan te nemen. Het feit dat Van Hamme enkele maanden tevoren het softerotische Epoxy (getekend door Paul Cuvelier) had geschreven, werd hem aangewreven. Iemand die in staat is tot het schrijven van zulke vunzigheden hoorde niet thuis aan het hoofd van een blad voor jongeren. Van Hamme ging opnieuw aan de slag in de businesswereld, nu voor Philips International terwijl hij nog wel strips in opdracht van Greg bleef schrijven.

Jean Van Hamme als grondlegger van het Franco-Belgische one-shot. Het afgeronde verhaal Avontuur Zonder Helden was een groot risico. Het weekblad Kuifje publiceerde gags en series met weerkerende hoofdpersonages, geen éénmalige avonturen zonder specifieke helden. Met enige reserves raakte het toch gepubliceerd in 1975, maar het was nog wachten tot 1977 voor het in album verscheen Volgens Van Hamme was het het allereerste Franco-Belgische one-shot. Voor de samenwerking werden Dany en Van Hamme beloond want door de herdrukken raakten er meer dan honderdduizend exemplaren van verkocht. Van Hamme merkte op dat enkel Dany zich verzette tegen wat Van Hamme het rechtmatig, gedeeltelijk eigendom van de originele platen betrof en wat door een Franse gerechtelijke uitspraak ook werd bevestigd. Ook Dany leek het werk van een scenarist niet correct in te schatten. Voor de lay-out van een luxeversie was er een opmerkelijk verschil in grootte tussen de namen van de tekenaar en de scenarist op de titelpagina (zie afbeelding). Dany was verantwoordelijk voor deze lay-out. Maar vandaag zijn ze de beste vrienden.

Avontuur Zonder Helden

Jean Van Hamme als schrijver van Guust en De Smurfen. Ook voor Franquins Guust mocht Van Hamme ideeën leveren. Van het twintigtal gags hield Franquin er tien achter die hij rijkelijk betaalde. Hij gebruikte er uiteindelijk drie in mei 1972. Met onderstaand briefje bedankte hij de scenarist. In die periode hengelde ook Roba naar input van Van Hamme voor de gagreeks Bollie en Billie. Maar de scenarist heeft nooit een gag voor die reeks kunnen bedenken. In 1965 of 1966 had Van Hamme ook een synopsis opgestuurd naar Yvan Delporte voor een verhaal van De Smurfen met de titel De Avonturen van de Nieuwe Smurf. Hij bewaarde er geen kopie van, noch ontving hij een bericht van ontvangst. Dat verhaal moet ergens verloren geraakt zijn.

André Franquin

Tony StarkJean Van Hamme in het zwart. Niet alleen door sommige tekenaars van gagreeksen werd Jean Van Hamme beschouwd als een noodzakelijk en liefst onderbetaald kwaad, ook in het realistische genre werden zijn eerste producties niet naar waarde geschat. Voor het Duitse stripblad Zack (waarvan eventjes de Nederlandstalige variant Wham! bestond) creëerde Édouard Aidans (toen bekend van Toenga) de reeks Tony Stark, een soort hedendaagse, ecologische cowboy naar een Duitse tv-reeks. Niemand had door dat er al een Tony Stark (Iron Man) bestond aan de overkant van de oceaan. In de zomer van 1975 stelde Aidans aan Van Hamme voor om na een door hemzelf geschreven eerste aflevering de reeks te vervolgen als scenarist. Aidans werd in het zwart betaald, in Duitse mark ook nog. Hetzelfde ging op voor Van Hamme die Aidans onder tafel betaalde. Hij kreeg 25% van de rechten op één voorwaarde: Van Hammes naam mocht nergens vermeld worden. Er bestond geen ondertekende overeenkomst. Wanneer de Franco-Belgische reeken uit Zack door Novedi in album raakten uitgebracht, nog steeds zonder naamsvermelding, kreeg Van Hamme af en toe enkele centen uitbetaald door Aidans. Na vier albums maakte Van Hamme zijn rekeningetje en presenteerde dit aan Aidans. Die trok grote ogen. Hij beweerde dat hij regelmatig 15% (dus 10% minder dan mondeling afgesproken) van de rechten betaalde, wat hem voldoende leek. Het leerde Van Hamme tenminste de waarde van geschreven contracten. Tegenwoordig herinnert Aidans zich nog altijd niets van de oorspronkelijke overeenkomst, althans volgens Van Hamme. In 2015 nam de benadeelde scenarist wraak. Bij het Franse Artège vercheen in januari 2015 een heruitgave van De Poema de een Miljoen Waard Was. Mèt de naam van Jean Van Hamme op de cover. Hij eiste en kreeg ook 50% van de auteursrechten! Een keer alle vier, door Van Hamme geschreven albums zijn heruitgegeven, kan het mogelijk nog een ongezien staartje krijgen want er bestaat een vijfde avontuur van zijn hand met de titel Le Tribunal des Loups, dat wel is geschreven, maar niet getekend. Het is aan de uitgever om Van Hamme te overhalen dit verhaal te mogen laten tekenen. Door Aidans? Dat is nog de vraag.

Jean Van Hamme en Largo Winch. Over de ontstaansgeschiedenis van Largo Winch hebben we al dit uitgebreid artikel geschreven. Een bijkomende proefplaat van de Amerikaanse comictekenaar John Prentice voegen we hieronder toe.

Largo Winch door John Prentice

Als extra aanvulling zijn er deze eerste schetsen van Largo Winch door Philippe Francq. Deze schetsen kwamen later van pas om het personage van piloot Freddy Kaplan vorm te geven.

Largo Winch door Philippe Francq

Jean Van Hamme en Thorgal. Ook over Thorgal hebben we niets toe te voegen dat je al niet kon lezen in de monografie die Patrick Gaumer aan Grzegorz Rosinski wijdde. Niets, behalve onderstaande wenskaart die Rosinski in 1975 voor zijn vriend Van Hamme tekende met een duidelijke verwijzing naar hun eerste verhaal De IJsgodin. Hij heeft ook cijfers bijgehouden. In de dertig jaar dat hij Thorgal schreef, raakten er 9.613.596 albums in het Frans en 1.927.618 in het Nederlands verkocht. En dan zijn er nog de albums in andere talen (Thorgal is vertaald in zeventien talen). Ter vergelijking: van De Chninkel, die andere grote samenwerking tussen Van Hamme en Rosinski, zijn meer dan vierhonderdduizend exemplaren verkocht, alle herdrukken incluis. Tegen eind dit jaar zou er weer een herdruk komen bij Casterman, deze keer met de indertijd verdwenen 'blauwe' cover die Rosinski oorspronkelijk had geschilderd.

Thorgal

Jean Van Hamme als filmscenarist. In 1978 was er nog geen sprake van albums van Thorgal. De geringe opbrengst van de albumverkoop van Domino, Harlekijn en Michael Logan en de lager dan verwachte rechten van zijn eerste roman volstonden nauwelijks om van te leven. Zijn spaargeld was op, zijn eerste vrouw was ervandoor met een jongere "en sympathiekere" man, hij moest het pensionaat betalen van zijn twee kinderen, de hypotheek op zijn huis van 14% was torenhoog (waardoor hij moest onderverhuren), maar gelukkig was er zijn nieuwe partner sinds twee jaar Huguette Marien die de kosten voor het huishouden met Van Hamme deelde. Hun beider virus om te reizen kostte een lieve cent (tot op heden hebben ze 119 landen bezocht), ook al gebeurde dat met een rugzak en via lokale bussen. Van Hamme moest zijn schrijfactiviteiten diversifiëren wilde hij als schrijver aan de bak blijven. Irène, de echtgenote van Serge Silberman, die de filmrechten — toen al! — op twee romans van Largo Winch had gekocht, had zelf de rechten gekocht van Diva, een roman uit 1979 van Delacorta, het pseudnoniem van Daniel Odier. De uitgekozen regisseur Jean-Jacques Beineix (de latere regisseur van Betty Blue) slaagde er niet in het verhaal naar een filmscript om te zetten. Irène Silberman zocht een schrijver die Beineix kon helpen en die niet te veel zou kosten: Jean Van Hamme. De release in 1981 brak geen potten... tot de film vier Césars won (het Franse equivalent van de Oscars) waarop er twee miljoen Fransen gingen kijken en het een cultstatus verwierf. Diva kreeg ook een BAFTA-nominatie (een Britse filmprijs) voor beste anderstalige film. Het stilistisch meesterwerk beïnvloedde Franse regisseurs als Luc Besson. Van Hamme kreeg toen een in dit geval rijkelijke 2% van de opbrengst wat hem dezer dagen nog altijd tussen de 2.000 en 3.000 euro per jaar oplevert. Na Diva schreef Van Hamme een andere filmbewerking: Meurtres à Domicile naar de roman Hôtel Meublé van Thomas Owen. In dezelfde periode schreef hij drie televisiefilms voor een coproductie tussen de RTBF (Wallonië) en TF1 en A2 (Frankrijk): Jackson ou le Mnémocide, San Francisco en Les Magiciens du Mercredi. In andere gevalen heeft hij scenario's geschreven voor filmprojecten die nooit werden verwezenlijkt. Sommige bleven in de lade liggen, andere herwerkte hij soms ettelijke jaren later naar nieuwe stripreeksen, bijvoorbeeld S.O.S. Geluk, De Telescoop en Wayne Shelton, maar ook De Meesters van de Gerst dat pas veel later dan oorspronkelijk (1980) naar een tv-reeks (1996-1998) leidde. Zijn laatste audiovisuele productie is Rani waarvan hij acht afleveringen schreef van elk 90 minuten met opnames in Frankrijk en Indië met een budget van 14 miljoen euro en met een gastrolletje voor zichzelf en zijn echtgenote. De Franse televisiezender France 2 had het onzalige idee om de uitzendingen te programmeren tegenover The Mentalist op TF1 dat wekelijks meer dan 9 miljoen kijkers lokte. Rani was op de Franse tv een flop. De stripbewerking door Alcante met Francis Vallès als tekenaar loopt nog.

Jean Van Hamme en het probleem ksiii. Ook over XIII hebben we al overvloedig geschreven, check ook deze ReeksTop 50-pdf. Leuk om te weten is dat de verkoop van de eerste albums per nieuw album fors steeg. Uit peilingen van de uitgeverij bleek echter dat de bekendheid gering was. De uitleg was eenvoudig: 90% van de respondenten kende geen Romeinse cijfers. Wanneer ze om de nieuwe XIII gingen, vroegen ze in boekhandels naar "ksiii" of "X drie". Voor alle duidelijkheid bij twijfelaars: "XIII" spreek je uit als "dertien".

Jean Van Hamme schreef de formule van Professor Sato. Edgar P. Jacobs dacht in 1968, op de vernissage van een door Greg georganiseerde tentoonstelling over strips in de Nationale Bibliotheek in Brussel, dat Van Hamme een ingenieur was. Jacobs vroeg hem om een wetenschappelijke formule te schrijven die je in drie stukken kon verdelen. Van Hamme had effectief wel wat ervaring op dat gebied. Op de cover van het one-shot Epoxy zijn de Griekse symbolen trouwens ook de scheikundige omzetting van de kunststof epoxy. Zijn bescheiden bijdrage aan De 3 Formules van Professor Satô, het laatste tweeluik van Blake en Mortimer door Jacobs, bleef dus beperkt tot het schrijven van die formule die dan nog enkel fragmentarisch is te zien op de cover van het eerste deel van het tweeluik. Jaren later zou hij met een weergaloos succes de reeks weer compleet op de kaart zetten. Sinds het album De Zaak Francis Blake (1996, meer dan zeshonderdduizend verkochte exemplaren, alleen al in het Frans), getekend door Ted Benoit, is Blake en Mortimer de best verkopende stripserie per nieuw album na Asterix en Titeuf. Nog dit, ondertussen zijn er talloze geïnteresseerden geweest die Blake en Mortimer op het zilveren scherm probeerden te krijgen, met name het verhaal Het Gele Teken. De eerste die de filmrechten kocht was nota bene Irène Silberman (de producente van Diva). Ze vroeg een jonge, Frans-Vietnamese regisseur om een testfilmpje van drie minuten te draaien. Ze vroeg vervolgens aan Van Hamme om een bioscoopzaaltje in Brussel te vinden waar het filmpje aan Jacobs kon vertoond worden. Dat gebeurde in 1986. Er waren amper vier of vijf toeschouwers. Van Hamme was er een van. Hij vond de keuze voor de acteurs "opmerkelijk". Het project kreeg geen gevolg. Enkele jaren later waagde hij zich zelf aan een poging voor een filmscript van Het Gele Teken met twee van zijn oud-studenten aan het IAD (Institut des Arts de Diffusion, een school voor multimediale opleidingen in Louvain-la-Neuve) voor een producer waarvan hij de naam is vergeten. Andermaal een project zonder verder gevolg.

Blake en Mortimer

Wayne Shelton 1Jean Van Hamme en Wayne Shelton. In 1982 ontmoette Van Hamme een zekere Duval, een zakenman in de transportsector. Hij had het goede idee om 50% van het budget voor de kleinschalige film Emmanuelle van regisseur Just Jaeckin te financieren. De softerotische film kwam in 1974 uit en het zaakje ontplofte. 45 miljoen bezoekers wereldwijd. Een bioscoop op de Champs-Élysées draaide de film twaalf jaar lang. Duval werd steenrijk. En met dat geld waande hij zich nog meer een succesrijk filmproducer. Hij opende een kantoor op de Champs-Élysées en wilde een moderne western maken met vrachtwagens. Onder de vele scenaristen die hij contacteerde bevond zich ook Van Hamme dankzij de film Diva. Onder de werktitel Trucks (verder zocht hij het niet) had hij een naar eigen zeggen mooi verhaal geschreven vol wendingen. Ondertussen had Duval op Ibiza een platvloerse komedie opgenomen waar er 160.000,5 bezoekers naartoe gingen. Van Hamme was die halve persoon omdat hij halverwege de vertoning de zaal verliet. Duval sloot zijn kantoor, het kostte Van Hamme twee jaar om zijn script betaald te krijgen en hij borg het op in de lade met onvoltooide projecten. Vijftien jaar later kreeg hij een telefoontje van Christian Denayer. Bij Le Lombard maakten ze een moeilijke periode door. Verschillende opeenvolgende slechte keuzes voor het bestuur en door marketing ingegeven keuzes om stripreeksen te liquideren die hun quota niet haalden zonder te kijken naar het potentieel ervan zorgden ervoor dat Denayer zonder werk kwam te zitten. Zijn zelfgeschreven serie High School Generation was net stopgezet. Denayer vroeg of Van Hamme iets had liggen. Denayer was een oude vriend en Van Hamme wilde hem helpen. Via een vorige serie van de tekenaar, De Brokkenmakers, kwam Van Hamme op het idee om Trucks om te werken, nu met een vijftiger in de hoofdrol die nog altijd succes bij de vrouwen heeft: Wayne Shelton! Hij schreef een tweeluik dat niet bij Le Lombard zou verschijnen — "de ondankbaren" — maar wel bij Dargaud. Door tijdsgebrek had Van Hamme Denayer wel gewaarschuwd dat als het tweeluik een succes wordt hij de serie voortaan zelf zou moeten schrijven of met iemand anders. Dat succes kwam er, ook Thierry Cailleteau kwam, door tussenkomst van Dargaud als scenarist. Ze maakten samen zes albums, maar de relatie tussen het nieuw samengesteld duo was niet top, ook al verliep de verkoop goed. Elke keer het echtpaar Denayer en de Van Hammes elkaar zagen, bleek uit de blik van de tekenaar: "waarom liet je me vallen?" en "kom terug, alsjeblieft". Vanaf deel 9 nam Van Hamme de reeks weer over. Deel 13 wordt zijn laatste.

WesternJean Van Hamme en de ongerustheid van Alejandro Jodorowsky. Na De Chninkel volgde er in 2001 nog een ander one-shot van Van Hamme en Rosinski: Western. Nadat Alejandro Jodorowsky meer details vernam over het project in wording stuurde hij een berichtje naar Van Hamme. Hij wilde weten welke arm er van zijn hoofdpersonage in Western is geamputeerd. Het was voor hem een opluchting om te horen dat het niet om dezelfde arm ging als voor het westernproject dat hij zelf voorbereidde voor François Boucq. Dan hebben we het uiteraard over Bouncer.

De TelescoopJean Van Hamme en De Telescoop. Inspiratie voor De Telescoop vond Van Hamme in zijn eigen entourage. Een bekende Bruselaar verwierf from scratch immense rijkdom. Van Hammes vrouw bezocht af en toe luxueuze recepties omdat ze bevriend was met zijn eerste vrouw. Die rijkaard had vele maîtresses onder wie een erg knap, maar ook erg dom meisje dat onder meer over een kredietkaart zonder bestedingslimiet beschikte. Na de dood van de magnaat vond zijn weduwe er uiteraard niets beter op dan de 22- of 23-jarige maîtresse de deur te wijzen uit haar cadeau gekregen optrekje en de schaar in har kredietkaart te zetten. Een gemeenschappelijke vriend stelde het schaap voor aan Huguette met de vraag wat er met haar moest gebeuren. Het kind had geen ouders of vrienden en kende niets van het ware leven. Ook Huguette had geen oplossing. Wat er van haar geworden is, weet Van Hamme niet. Het leidde in 1984 wel naar een idee voor een film, met de hulp van Bob De Groot (Robin Hoed, Leonardo, Clifton) voor de jolige dialogen, dat uiteindelijk een roman (1993, negenhonderd verkochte exemplaren) en daarna de strip De Telescoop (1999, zestigduizend verkochte exmplaren) werd, getekend door Paul Teng.



Onvoltooid project (18):
Blueberry door François Schuiten
04/07
TOP
Blueberry in New York
 In Weetje 138 vertelden we je over het Blueberry-project Blueberry 1900 dat François Boucq zou tekenen op scenario van Jean Giraud. Dat ging allemaal niet door en Boucq maakte uiteindelijk een andere western: Bouncer, op scenario van Alejandro Jodorowsky. Een ander project, Fort Mescalero, een Blueberry-verhaal vol magie en droomwerelden waar Giraud in 1999 zelf aan werkte, stuitte op het veto van Jean-Michel Charliers zoon en erfgenaam Philippe die voor de helft mee de eigenaar is van het personage. En blijkbaar liep Giraud in de jaren 1990 rond met nog andere plannen omtrent Blueberry...

Uit een Frans nieuwsbericht uit 1996 leerden we dat het na Blueberry 1900 de bedoeling was om er een ander verhaal op te laten volgen, een one-shot waarin Blueberry terug te vinden was in New York, een gegeven dat effectief strookt met de biografie die Jean-Michel Charlier over zijn westernheld schreef. De titel zou eenvoudigweg Blueberry in New York zijn. En Giraud wilde dat François Schuiten dat album zou tekenen.

Schuiten kon vanaf 1977 als volslagen onbekende auteur zijn ei kwijt in Métal Hurlant, een stripblad waarin Giraud zijn Mœbius-kunsten botvierde. Dat ei resulteerde later in de albums Carapaces en De Medianen van Cymbiola.

Blueberry door Schuiten, dat ging dus niet door. Meer zelfs, in een later interview werd Schuiten hierop aangesproken en bleek het om een running gag te gaan tussen beide tekenaars. Vandaar dat we dit niet passend konden illustreren. Dan maar gekozen voor een hommage van François Avril uit 2008 met een Blueberry in New York.
(Bron: Auracan 13, maart/april 1996)


Invaller Christian Denayer voor Rik Ringers
20/06
TOP
Rik Ringers door Christian Denayer
Rik Ringers door Christian Denayer
Eind jaren 1970 werd Tibet met spoed in het ziekenhuis opgenomen na een hartinfarct. In 2010 overleed hij aan een hartaanval, een vaker voorkomende doodsoorzaak bij tekenaars. Omdat het in Kuifje voorgepubliceerde Rik Ringers-verhaal Duel met De Beul (deel 14) net op zijn einde liep, voltooide toenmalig decortekenaar Christian Denayer manmoedig de laatste vier platen van het verhaal. Hij respecteerde daarbij trouw de decoupage van scenarist André-Paul Duchâteau. Deze pagina's verschenen in de Kuifje-nummers van 15 en 22 december 1970. Je vindt ze hierboven.

Een jaar later hertekende Tibet alle vier platen voor de albumpublicatie in februari 1972. Hij permitteerde zich gelijk een grotere vrijheid voor wat het scenario betreft. Vergelijk de bovenstaande versie van Denayer maar eens met onderstaande platen van Tibet. Klik erop voor grotere afbeeldingen.

Rik Ringers door Tibet
Rik Ringers door Tibet
Rik Ringers door Tibet
Rik Ringers door Tibet

Denayer was sinds 1966 actief voor Tibet. Aan de decortekenaar en assistent hebben we Rik Ringers' Porsche Targa 1969 te danken. Tibet was zelf geen wagenliefhebber. Die wagen was voor het eerst te zien in Spoken in de Nacht (deel 11). In het verhaal Grafschrift voor Rik Ringers (deel 17) reed de journalist zijn Porsche in de prak. Het heeft niets te maken met het vertrek van Denayer maar dit was wel het laatste verhaal waar hij zijn medewerking aan verleende.

Met Duchâteau volgden reeksen als De Brokkenmakers, Alain Chevallier en Yalek. Tussendoor publiceerde hij ook Patrick Leman in het weekblad Robbedoes, voor de concurrentie van Kuifje dus. De invloed van Tibet liet zich hier nog wel gelden. Vergelijk onderstaande openingspagina uit Grafschrift voor Rik Ringers maar eens met de ernaast afgebeelde eerste pagina uit het kortverhaal Patrick Leman: Storm op de Weg dat in Robbedes 1729 uit 1971 verscheen. De scenarist van Patrick Leman (waarvan slechts twee kortverhalen en een lang verhaal in Robbedoes verschenen) was Michel Vasseur, een pseudoniem van... André-Paul Duchâteau!
(Bron: Frédéric Bosser — dBD HS15, mei 2015 — met dank aan Ed Hengeveld voor de scans)


Grafschrift voor Rik Ringers
Patrick Leman


Onvoltooid project (16):
De Maltezer door Luc Foccroulle en Bom
Onvoltooid project (17):
Trent door Olivier TaDuc en Rodolphe
13/06
TOP
De Maltezer
De Maltezer
De Maltezer
Tussen 1991 en 1994 verschenen bij uitgeverij Claude Lefrancq drie albums van de amusante serie De Maltezer, met een sympathieke oplichter in de hoofdrol. Dit was het werkelijke stripdebuut van tekenaar Laurent Verron nadat hij tussen 1986 en 1989 Jean Roba assisteerde voor Bollie en Billie, de succesvolle gagreeks die hij tegenwoordig op zijn eentje tekent. Na de drie albums van De Maltezer ging Verron met Yann in zee voor de reeks Govert Suurbier, waarvan Arcadia vzw onlangs het onvertaald gebleven laatste album alsnog in het Nederlands uitgaf. Loup Durand, de scenarist van De Maltezer, overleed in 1995. Met een tekenaar die voor een andere reeks koos en een overleden scenarist leek het amen en uit voor De Maltezer, maar daar dacht de uitgever anders voor want De Maltezer was een opgemerkte serie.

Taï-Dor 7Eind 1995 bestond het concrete plan voor een nieuw verhaal, geschreven door Bom (gekend van Ragebol, Chlorophyl en Julie, Klaartje, Cécile) en getekend door nieuwkomer Luc Foccroulle. Er was ook al een titel voor het vierde album: La Crapule de Hong Kong. Maar zo ver kwam het dus niet. Foccroulle, die in 1993 het Franse album Tonnerre en Chine, had getekend, nam wel een andere serie over. In 1997 verscheen het zevende en laatste album van de fantasyreeks Taï-Dor, tevens het enige album in de reeks dat nooit vertaald raakte.

Foccroulle nam deze reeks van Jean-Luc Serrano over nadat deze laatste als lay-out artist voor de studio van Steven Spielberg ging werken aan de tekenfilm Balto (1995). Sindsdien bleef hij in de tekenfilmbranche actief en zette onder meer The Prince of Egypt, The Road to El Dorado, Spirit: Stallion of the Cimarron, Kung Fu Panda en de tekenfilmserie Angry Birds Stella op zijn cv. Foccroulle hield het striptekenen voor bekeken. Hij werd leraar illustratie en striptekenen aan het Saint-Luc in Luik en werkt daarnaast in de reclamebusiness. Hij is ook de schrijver van kinderboeken waaronder het in het Nederlands vertaalde Het Geheim van de Moestuin (geïllustreerd door Annick Masson, uitgeverij Mijade, 2012).

In bovenstaande stoelendans zouden we er ook nog Olivier TaDuc en Rodolphe kunnen bijsleuren. Taï-Dor was geschreven door Serge Le Tendre en Rodolphe. Voor Le Tendre tekende TaDuc Takuan en later Chinaman en Witte Klauw. Rodolphe zag in hem een geschikte kandidaat voor een nieuwe reeks die hij wilde lanceren: Trent. Maar TaDuc had nog niet de benodigde ervaring opgebouwd. Na een twintigtal getekende pagina's van het eerste Trent-verhaal gaf hij forfait, in onderling overleg met Rodolphe. Enkele maanden later ontmoette Rodolphe de Braziliaan Léo en was de zaak beklonken voor een eerste succesvolel samenwerking tussen de twee. Hieronder vind je de eerste drie platen van TaDucs versie van Trent deel 1.
(Bron: Nicolas Anspach / Stanley Graphic — Auracan 12, november/december 2012)

Trent 1 Olivier TaDuc

Trent 1 Olivier TaDuc

Trent 1 Olivier TaDuc


Een komedie van Tibet door een dozijn toptekenaars
06/06
TOP
De Rol van zijn Leven
In de boekhandeleditie van Le Géant du Rire, een speciaal nummer over André Franquin van het Franse literaire tijdschrift Lire, stond bovenstaande gag van Tibet nog eens afgedrukt omdat Franquin er de eerste prent van heeft getekend. Deze gag verscheen in Kuifje van 25 februari 1959. Franquin tekende toen nog Ton en Tineke voor het weekblad.

De Rol van zijn Leven was een ludiek onderdeel van een grootscheepse wedstrijd die Kuifje organiseerde, met duizend te winnen prijzen waaronder een Fiat 1100, een tv-toestel, een bromfiets, radio's, fietsen, enzovoort. Onderaan dit artikel vind je de wedstrijdpagina en alle uitleg.

Het was dus de bedoeling dat deelnemers moesten uitvissen welke twaalf tekenaars die aan het weekblad Kuifje waren verbonden elk een prent voor hun rekening namen. Omdat de deadline voor deelname al lang is verstreken, kunnen we je hier het antwoord wel geven. Het dozijn tekenaars, het toenmalig neusje van de zalm, is het werk van (in volgorde van prent 1 naar 12): André Franquin, Albert Uderzo, Raymond Reding, Hergé, Edgar P. Jacobs, Liliane en Fred Funcken, Jacques Martin, Paul Cuvelier, Tibet, Jean Graton, Albert Weinberg en Willy Vandersteen.
(Met dank aan Ed Hengeveld voor de afbeeldingen)

De Rol van zijn Leven


De mysterieuze verdwijning van een scenarist
30/05
TOP
Operatie Schaar
Operatie Schaar
Operatie Schaar
Operatie Schaar
Onlangs verscheen een heruitgave van La Rimbambelle en Écosse (De Sliert in Schotland, door Jean Roba) in de collectie 50/60 van Niffle. Koop de albums in deze reeks niet in het Frans want de vertaalrechten zijn verkocht! Door de commentaren van Hugues Dayez kwamen we ertoe om je bovenstaand kortverhaaltje van Jo-El Azara aan te bieden. Klik erop voor grotere afbeeldingen.

Operatie Schaar verscheen in Robbedoes 1041 van 27 maart 1958 op scenario van Marcel Denis, een toenmalig medewerker van de studio van André Franquin. Het was oorspronkelijk bedoeld voor Will, maar ook Azara ging er niet mee verder. Hij werkte al een drietal jaar voor Studios Hergé en hij zou uiteindelijk in het weekblad Kuifje zijn bekendste reeks publiceren: Taka Takata, vanaf 1965 op scenario van Vicq... Onthoud die naam.

Taka Takata
De Sliert
Sophie

Franquin wist dat zijn andere medewerker Roba graag kinderen tekende en hij wees hem op het clubje kinderen uit Operatie Schaar rond wie wel wat te doen viel voor een stripserie. Bollie en Billie verscheen nog maar sinds 1959 en was nog niet een van de fenomenale pijlers van het weekblad Robbedoes. In 1962 verscheen dan het eerste avontuur van De Sliert (de Franse naam La Ribambelle was een vondst van Franquin). Van het oorspronkelijke kliekje uit Operatie Schaar behield Roba enkel het zwarte jongetje, de trompetspeler, van wie hij Dizzy maakte. Vanaf het tweede verhaal, De Sliert in Schotland, kreeg Roba voor het scenario de hulp van — heb je de naam onthouden? — Vicq.

Jakke en Silvester
Lucky Luke
Kereltje

Hoewel Vicq, echte naam Antoine Raymond, zelden tot nooit wordt vermeld in de roemruchte geschiedenis van de Franco-Belgische strip, zijn er maar weinigen die kunnen zeggen dat ze hebben samengewerkt met de grootsten uit het vak: Franquin (voor wie Vicq gags van Guust schreef)... Peyo (Jakke en Silvester)... Will (Erik en Bezaan)... Roba (De Sliert, Bollie en Billie)... Morris (de eerste Lucky Luke na het overlijden van René Goscinny)... Greg (Kees en Klaas, Rob Robuust, Olivier Blunder)... Ook strips van Marcel Remacle (Ouwe Niek, Hultrasson), Jidéhem (Sophie), Marc Wasterlain (Kereltje), Franz (Korrigan), Bara (Max de Ontdekkingsreiziger), Mazel (Fleurdelys), André Benn (Tom Applepie), Paul Deliège (Theo en Pieterjan) en voornoemde Azara behoren tot zijn palmares. Zijn alcoholverslaving stak stokken in de wielen van zijn carrière. Het kostte hem ook zijn leven.

Vicq

Vicq debuteerde in 1960 bij Robbedoes als tekenaar. Tevoren publiceerde hij al talloze cartoons in heel wat Waalse tijdschriften vanaf 1952. Voor het Franse, pas begonnen satirische blad Hara-Kiri (een voorloper van Charlie Hebdo) ontwikkelde hij eveneens zijn geapprecieerde gevoel voor humor. Hij werd een specialist in het bedenken van gags op één pagina met een voorkeur voor visuele grappen. Hij verwierf er een goede reputatie mee en versierde daardoor opdrachten bij tekenaars in een periode waarin het vak van scenarist nog niet was erkend. Vaak stond zijn naam niet eens bij de verhalen die hij voor anderen schreef. Franquin deed een beroep op hem voor ideeën voor Guust, voor Bara schreef Vicq zo'n driehonderd grappen van het internationaal gepubliceerde Max de Ontdekkingsreiziger. Voor Jidéhems reeks Sophie zag het er ook naar uit dat hij de vaste scenarist zou worden.

Maar hij had ook een keerzijde. Hij was altijd te laat met zijn werk, voor zowel tekenaars van het weekblad Robbedoes als Kuifje. Midden in het lopende verhaal De Sliert in Schotland verdween Vicq opeens, enkele weken lang waardoor Roba zelf het vervolg moest uitvinden. Op de cover van de herdruk van het album in 1983 komt Vicqs naam niet meer voor. Ook Jidéhem kon getuigen dat hij soms zonder scenario zat zonder dat hij contact kon opnemen met de scenarist. Weinig tekenaars bezochten hem. Met Azara had hij een goede band, maar dat verliep hoofdzakelijk via de telefoon en altijd communicerend over het werk. Hoewel hij twintig jaar met hem heeft samengewerkt, kende hij 'm net net zo min als de andere tekenaars voor wie Vicq schreef. De meesten zijn het er wel over eens dat hij overkwam als een sympathieke, grappige man, maar hem echt kennen als mens was bij niemand het geval. De foto hierboven is een van de weinige die hem portretteren. Azara kreeg anders wel telefoontjes van Vicqs echtgenote omdat hij er weer maar eens vandoor was zonder een spoor na te laten. Vicq verloor constant het gevecht met de drankduivel.

In 1987 verdween hij wel heel lang van de radar. Er rezen vermoedens dat hij was overleden, anderen beweerden dat hij er bewust vandoor was. Nochtans was er geen aanleiding of een extreme situatie die hem ertoe zou nopen te moeten vluchten. Daar bestonden precedenten van. Er zijn stripmakers die om fiscale redenen of om te ontsnappen aan alimentatieverplichtingen wel eens naar het buitenland durfden te verhuizen. Eén ervan mocht België zelfs niet meer binnen of hij dreigde door de politie opgepakt te worden. Ondertussen werden Vicqs auteursrechten, bijvoorbeeld voor Sophie, aan de kant gezet mocht hij alsnog weer opduiken, ondanks de onzekerheid over zijn zoveelste verdwijning.

Yvan Delporte, toenmalig hoofdredacteur van Robbedoes, begon op gemeentebesturen en in ziekenhuizen in het Brusselse navraag te doen naar Vicq. Uiteindelijk vond hij een antwoord op zijn vraag. Een register in een ziekenhuis maakte gewag van Vicqs overlijden.


Onuitgegeven Chlorophyl-plaat
23/05
TOP
Chlorophyl
Chlorophyl tegen de Zwarte RattenOp 28 juni 2015 organiseert Banque Dessinée een zoveelste stripveiling. Op veel van die veilingen worden duizenden en duizenden euro aan eerste drukken, zeldzame edities en originele platen verhandeld. Een bijzonder lot is nummer 350: een originele plaat van Chlorophyl door Raymond Macherot. Geschatte waarde: tussen 12.000 en 15.000 euro.

Het speciale aan deze plaat is dat het uit het verhaal Chlorophyl tegen de Zwarte Ratten komt, het allereerste verhaal uit de reeks, maar dat het nooit werd gepubliceerd, noch in het weekblad Kuifje noch in album. Een liefhebber bezocht in 1954 de tekenaar en kreeg deze plaat mee. Het lag vervolgens 61 jaar in een lade.

Op de bewuste plaat ontmoeten twee belangrijke nevenpersonages elkaar: Torpedo de otter en de raaf. Deze plaat past tussen de platen 9 en 10 van het verhaal. Het oorspronkelijke verhaal van 32 pagina's telde in werkelijkheid dus 33 pagina's.

Op dezelfde veiling worden ook op slechts tien exemplaren gedrukte reproducties van deze plaat aangeboden. Ze zijn gesigneerd door Raymonds weduwe Marie-Rose. De opbrengst is ten behoeve van haar bedoeld.


Op ziekenbezoek bij Peyo met vetzakkerij onder de arm
16/05
TOP
Peyo Roba
In de lente van 1969 kreeg kettingroker Peyo een hartinfarct. Hij rookte zo'n drie pakjes per dag, werkte laat in de nacht verder en hij leed aan stress die het groeiende succes van De Smurfen, het leiden van een eigen tekenstudio en andere zakelijke belangen met zich meebrachten. Zijn levenskwaliteit was omzeggens bijzonder slecht. Zijn dokter beval 'm zes weken absolute rust.

Daar had hij het heel moeilijk mee, hij kon niet stilzitten. En hij zou net met een nieuw avontuur van Johan en Pirrewiet beginnen, De Hekserij van Bozerik. Yvan Delporte, de hoofdredacteur van Robbedoes en een goeie vriend van Peyo, wilde de verveling van de geplaagde tekenaar wat doorbreken en kwam op een origineel idee. Hij liet elk van zijn vrienden een halve paginagag maken met Peyo's stripfiguren in de hoofdrol. Elke dag zou Peyo dan bezoek krijgen met zo'n gag als cadeautje. Omdat die niet voor publicatie bedoeld waren, ging het de vettige toer op. Bovenstaande gag van Jean Roba opende de reeks en maakt van Pirrewiet een perverse dwerg die zich aan een tot vrouw omgetoverde Johan wil vergrijpen. Ook de onderstaande gag van Will, met de koning uit Johan en Pirrewiet die wat warmte zoekt, konden we traceren.

Peyo Will

We zijn ten zeerste benieuwd naar de gags van Peyo's andere vrienden: Tibet, Jidéhem, Maurice Tillieux, Greg, Victor Hubinon, zelfs de anders zo preutse en deugdzame Mitacq liet zich gaan. François Walthéry had een naakte prinses getekend die zich in het kasteel verbergt en André Franquin voorwaar Smurfen met keiharde erecties. Bij ons weten is geen van deze gags ooit gepubliceerd geraakt en behoren ze tot de persoonlijke archieven van de familie Culliford.

Uiteindelijk vroeg Peyo's dokter aan zijn vrienden om het kalmer aan te doen want Peyo moest zodanig hard lachen om zijn dagelijkse dosis getekende vetzakkerij dat er een tweede hartinfarct dreigde. Peyo's vrouw Nine voegde eraan toe: "Hij zou vooral een tweede infarct gekregen hebben als zijn nieuwsgierigheid niet bedwongen raakte! Elke dag, rond vier uur, wachtte hij ongeduldig op een nieuwe halve pagina om te zien wat zijn kameraden nu weer bedacht hadden."

Nadat hij drastisch stopte met roken, kreeg hij trouwens een andere verslaving. Hij vrat zich te pletter aan gebakjes, taartjes en snoep. Hij verdikte zienderogen. Maar als dank voor de steun tijdens zijn vele weken ziekte organiseerde het echtpaar Culliford een tuinfeest in hun villa om de vrienden te bedanken. Op 24 december 1992 kostte een zoveelste hartaanval hem het leven.
(Bron: Hugues Dayez — Peyo L'Enchanteur, 2003)


Bouncer 8.5
09/05
TOP
Bouncer 8
Bouncer 9
In november 2013 verscheen de Franse editie van Bouncer 9: And Back, het vervolg van deel 8, To Hell. De vertaling verscheen in januari 2014 bij Glénat. Voorafgaand aan de Franse albumrelease publiceerde het Franse L'Express op hun website een in album onuitgegeven "ghost story", een overgangetje tussen deel 8 en 9 met enkele scènes die niet in de albums staan. Dit verhaal, met illustraties van François Boucq en tekstpancartes alsof die uit een stille film komen, begint waar deel 8 eindigt, in de hel van gevangenis Deep End. Deze Bouncer 8.5 kan je nu integraal in het Nederlands lezen, te downloaden als pdf, als je hier of op onderstaande afbeelding klikt.

Bouncer 8.5


Bessy winkelde ook bij Matho Tonga
02/05
TOP
Als follow up van Leo Kupers' onderzoek naar het hergebruik van prenten uit Blueberry in Bessy (zie Weetje 183) is er nu een gelijkaardig vergelijkend onderzoek tussen Hans G. Kresses Matho Tonga en Bessy. Onderstaand artikel is opnieuw het werk van westernspecialist Leo Kupers.

In mijn eerder artikel toonde ik aan dat er in minimaal acht Bessy-albums (en in minimaal één De Rode Ridder) gebruik is gemaakt van tekeningen uit Blueberry. Het doorkijken/-lezen van de diverse Bessy-albums deed echter nog meer alarmbellen bij mij afgaan, specifiek het personage Lone Wolf uit De Wreker liet me niet los. Deze bleek het bijna evenbeeld van Ramirez te zijn, het alter ego van Matho Tonga. Nader onderzoek wees uit dat tekenaar Karel Verschuere(1) in elk geval in vier Bessy's gebruik heeft gemaakt van tekeningen uit Matho Tonga. Deze westernstrips van de Nederlander Hans G. Kresse verschenen voor het eerst van medio 1948 tot medio 1954 in het Vlaamse blad De Zweep.(2)

Het gebruikmaken van Kresses tekeningen loopt net als bij het gebruiken van de tekeningen van Jean Giraud in Bessy uiteen van als het ware van "zeer geïnspireerd door" tot regelrecht plagiaat.

Ook de redenen waarom een zeer bekwaam tekenaar als Verschuere op deze wijze te werk is gegaan, lopen uiteen. Bewondering voor andere tekenaars, gemakzucht, gebrek aan eigen ideeën en neem daarbij nog het feit dat de tekenaars van de Bessy Studio eind jaren 1960 aan een hels werktempo onderworpen waren. Vanaf 3 juli 1967 moest er elke week een Bessy-album in Duitsland verschijnen, dat heeft er al veel mee te maken.(3)

In onderstaande tabel is te vinden welke van de onderzochte uitgaves het eerst verschenen zijn. Bij de Bessy-albums staan de verschijningsdatums in Duitsland.(4) De tabel dient als basis voor de rest van het artikel. Ook De Muiters en Het Wagengeweer komen in de lijst voor, net als bij de genoemde Blueberry-vergelijking.


Tekenaar Serie Titel Duitse titel (Bessy) Eerste uitgave
Karel Verschuere Bessy 73: De Muiters 107: Feuer im Tal des Todes(5) 1968
Karel Verschuere Bessy 79: De Wreker 146: Ein Wolf Geht Seinen Weg zu Ende 1969
Karel Verschuere Bessy 81: Het Wagengeweer 167: Die Tödesfalle am Bärenfluß 1969
Edward De Rop / Karel Verschuere Bessy 94: Het Verborgen Wapen(6) 141: Bessy Jagt den Heckenschützen 1969
Hans G. Kresse Matho Tonga De Strijd in de Zwarte Bergen   1948-1949
(De Zweep)
Hans G. Kresse Matho Tonga Het Geheim van Dr. Dorian (1e en 2e episode): in album verschenen als De Laatste der Mandan's(7)   1951-1954
(De Zweep)

De prenten uit Matho Tonga heb ik gescand uit de in de jaren 1970 bij uitgeverij Oberon verschenen albums. De paginanummers verwijzen dan ook naar deze uitgaves.(8) Bij het maken van de vergelijkingen heb ik de Matho Tonga-strips, waarin dus de originele tekeningen verschenen zijn, als uitgangspunt genomen. Dit in chronologische volgorde van oorspronkelijk verschijnen.


De Strijd in de Zwarte Bergen

Matho Tonga Bessy
Lone Wolf (rechtsboven en onder), blijkt overduidelijk gebaseerd op Ramirez (linksboven), die zich later ontpopt als Matho Tonga. Middellang zwart haar, Indiaans uiterlijk, leren pak met franjes. Enige verschil is de halsdoek. (Pagina 15, prent 6 versus De Wreker pagina 10, prent 2 en in iets mindere mate pagina 1, laatste prent).


Matho Tonga Bessy
Ook deze plaatjes laten aan duidelijkheid niets te wensen over. Zelfs een identieke houding. (Respectievelijk pagina 15, prent 12 en De Wreker, pagina 4, prent 1).


Matho Tonga Bessy
Lone Wolf kijkt ietsje vriendelijker, hij heeft iets langer haar en een halsdoek. (Pagina 15, laatste prent versus De Wreker, pagina 4, prent 3).


Matho Tonga Bessy
Wederom identieke houding. Gezichtstrekken nagenoeg dezelfde. Zelfs beiden een halsdoek. De hoed wijkt daarentegen op diverse punten af. (Pagina 19, prent 12 en De Wreker pagina 13, prent 6).


Matho Tonga Bessy
Van achterop gezien. Zelfs de staleigenaar lijkt qua gezicht op meneer Morsell. (Pagina 22, prent 1 versus De Wreker, pagina 1, prent 8).


Matho Tonga Bessy
Een identieke bespiedershouding. Links een Pawnee (pagina 23, prent 6) en rechts een Yakima (Het Verborgen Wapen, pagina 15, prent 7). De rotspartijen lijken ook op elkaar: twee kleine links en een grote in het midden


Matho Tonga Bessy
Let op de aanvallende partijen en dan met name op de ruiters links en de leiders. (Respectievelijk Oglala's en Mandans. Pagina 23, laatste prent en Het Wagengeweer, pagina 28, prent 1).


Matho Tonga Bessy
De overeenkomsten zijn wederom niet te missen. Crowopperhoofd Night Rider valt onder een aanval van de Sioux (pagina 40, prent 3) en de Mandans rijden om krijger Grijze Valk die zojuist door opperhoofd IJzeren Pluim is neergeschoten. (Het Wagengeweer, pagina 24, laatste prent).


Matho Tonga Bessy
Sioux steken het Crowdorp in brand (pagina 40, prent 5) versus Yakima's die een Paiutedorp brandschatten (Het Verborgen Wapen, pagina 17, prent 9). Verder is er de indiaan rechtsonder.


De Laatste der Mandan's
(met het verhaal Het Geheim van Dr. Dorian (1e en 2e episode)


Matho Tonga Bessy
Iets minder duidelijk, maar de opzet met het tafeltje rechtsonder met de twee mannen en de bar links heeft wat van elkaar weg. (Respectievelijk pagina 7, prent 4 en De Muiters, pagina 2, prent 3).


Matho Tonga Bessy
Meer in het oog springend kan welhaast niet. Op enkele kleinigheden na zijn ruiter en paard identiek. (Pagina 20, prent 7 en Het Verborgen Wapen, pagina 27, laatste prent).


Matho Tonga Bessy
Links pagina 27, prent 10. Prent 1 op pagina 28 van Het Wagengeweer (rechts) komt hier weer terug. Met name ruiter en paard rechts lijken op dit plaatje van Matho Tonga gebaseerd. Ook de indiaan met het geweer boven zijn hoofd in het midden zien we terug.


Matho Tonga Bessy
Hoe duidelijk wil je het hebben? Links Dakota-opperhoofd Black Dog (pagina 29, prent 5) en rechts Mandanopperhoofd IJzeren Pluim, wonderwel hersteld van de zware verwonding van de vorige dag (Het Wagengeweer, pagina 27, laatste prent). Beiden roepen op ten aanval. Verschillen zijn de armband en enkele zwaaiende pluimen links en het geweer rechts.


Matho Tonga Bessy
Opnieuw Black Dog (pagina 30, prent 3) en IJzeren Pluim (Het Wagengeweer, pagina 24, prent 3). Black Dog heeft zijn ogen en mond geopend en heeft geen versierselen om nek en borst.


Matho Tonga Bessy
De postkoets uit Denver (pagina 45, prent 1) versus de diligence, met Andy Cayoon als koetsier (De Muiters, pagina 19, prent 10).


Noten
(1) Meer over Karel Verschuere: www.roderidder.net/nl/bibliotheek/biografie/tekenaars/karel-verschuere
(2)
Voor de eerste publicaties zie www.ericdenoorman.nl/kresse-strips/matho-tonga/. Meer informatie onder meer op www.juliusdegoede.nl/bestellen.htm. De Zweep was een bijlage van Het Laatste Nieuws.
(3) Zie Jean Smits, De Bessystudio Deel 2: De Chaos na Wirel..., in Brabant Strip Magazine 143, pagina 4-11. Hier specifiek pag. 8, 9 en 10.
(4) Duitse titels en hun verschijningsdatum zijn alhier te vinden: bessy.ophetwww.net/dui/r1/titels.php
(5) Jean Smits, idem, pagina 10. “Het eerste verhaal De Muiters was echter al eerder in Duitsland verschenen als nummer 107, op 10 juni 1968.” De voorpagina van dit verhaal, Feuer im Tal des Todes, is echter anders. De voorpagina van het Nederlandstalige nummer 73, De Muiters, was in de Duitse reeks de voorpagina van Bessy nummer 109: Gold in der Prärie. Zie bessy.ophetwww.net/dui/r1/106-120.php
(6) Edward de Rop tekende de eerste twaalf pagina's, ofwel 48 stroken. Vanaf pagina 13 (strook 49) tekende Karel Verschuere dit album. Zie Jean Smits, De Bessystudio Deel 2, pagina 10.
(7) www.ericdenoorman.nl/kresse-strips/matho-tonga/
(8) Hans G. Kresse, De Laatste der Mandan's, Haarlem 1977. Hans G. Kresse, De Strijd in de Zwarte Bergen, Haarlem 1977. Hierin ook het verhaal Het Arendsjong (voor het eerst verschenen in 1950-1951 in de Nederlandse krant Algemeen Dagblad). Aan Het Arendsjong zijn voor zover ik heb kunnen vaststellen geen Bessy-tekeningen ontleend. Wellicht heeft Karel Verschuere als Vlaming Algemeen Dagblad niet onder ogen gehad.


Onvoltooid project (15):
Spaghetti door Dino Attanasio en Yann
25/04
TOP
De in 1925 in Milaan geboren Dino Attanasio had het geluk om met een ware klasbak als René Goscinny te kunnen samenwerken voor de komische reeks Spaghetti die vanaf 1957 in Kuifje liep. Nochtans liep hij niet hoog op met het beroep scenarist. Hij zag het metier als een noodzakelijk kwaad. Dat ondervond Yann die in de jaren 1980 een verhaal voor Spaghetti schreef waarvan wel proefplaten bestaan (hierboven vind je een fragment), maar dat nooit gepubliceerd raakte.

In Les Cahiers de la Bande Dessinée 83 uit december 1988 noemde hij Attanasio niet bij naam, maar door andere bronnen is er geen verwarring mogelijk. Op de vraag of de situatie voor scenaristen is veranderd nadat ze lange tijd beschouwd werden als de armlastige scheppers van strips antwoordde Yann: "Financieel gezien zijn de zaken in de goede richting veranderd. Maar veel tekenaars blijven vasthouden aan het idee dat zij de echte auteurs en eigenaars van de serie zijn die ze tekenen, en dat zij iemand betalen om een scenario te schrijven, een beetje zoals hoe men een werknemer betaalt. Ik vind dat een scenarist van bij het begin strikt moet zijn en zijn legitieme rechten moet laten gelden. Nu ik bekend begin te geraken, word ik minder op de proef gesteld. Maar in de magere jaren (en soms nog, maar niet vaak), behandelden sommige tekenaars, wiens naam ik niet zal noemen, me als een slaafje, ze vroegen me om hen gags te leveren waarvoor ik nooit betaald werd en waar mijn naam nooit bij werd vermeld. Op zijn best nodigden ze me uit voor een etentje..."

In 1965 stopte Goscinny met Spaghetti waarop Attanasio een beroep deed op meerdere scenaristen voor kortverhalen en langere verhalen. In 1965 kwam Roger Francel aan boord, de directeur van de Belgische poot van het radio- en televisiebedrijf RTL. Daarna volgde Lucien Meys (1966). In 1968 verliet Attanasio het weekblad Kuifje en nam Spaghetti met zich mee om er pas in 1974 weer mee aan de slag te gaan. Andere scenaristen waren Emmanuel de Lantsheer onder het pseudoniem Edel (1977), Yves Duval (1977), Greg (1982) en José-Louis Bocquet en Jean-Luc Fromental (1983). Op anonieme basis leverden André Désiré Fernez en Attanasio's echtgenote Joanna tussendoor ook verhalen. Al deze strips verschenen lang niet allemaal in (Nederlandstalige) albums. De Franse tijdschriftenpublicaties breidden zich uit met Formule 1 (1974), Le Journal Illustré (1982), Rigolo (1983) en Pif Gadget (1991).

In 1992 doken er twee collectiefalbums op, uitgegeven door Planète BD, met kortverhalen en gags van Spaghetti door verschillende tekenaars zoals Achdé (huidig tekenaar van Lucky Luke), Michel Rodrigue (de laatste tekenaar van Clifton) en Alain Sikorski (de laatste tekenaar van Baard en Kale). De albums verdwenen razendsnel uit de verkoop na een proces dat Attanasio aangespannen had. Hij was namelijk niet op de hoogte gebracht dat er anderen zomaar met zijn grafische creatie aan de haal gingen. Attanasio won het proces.

En dat er een keer een project niet doorgaat, is normaal. Daar heeft Yann al wel ervaring mee. Zo bestaan er proefplaten of prille ideeën van bedoelde samenwerkingen met Steven Dupré, Frank Pé, Luc Warnant, Will, Dany, Stéphane Colman, Christian Darasse en Eric Maltaite (meerbepaald voor Spettertje).


Afscheid van een geliefde in Bollie & Billie
18/04
TOP
Paniek ten huize Bollie en Billie. Bollies mama is verdwenen. Zijn vader is in alle staten. Samen doorzoeken ze het hele huis. De hond Billie kan zijn tranen niet meer bedwingen. Op de volgende pagina blijkt mama gelukkig op zolder te zitten, ze was ingedommeld in een zetel.

Deze gag uit 1992, gepubliceerd in Bollie & Billie 24: Bwuffalo Billie?, is een postuum idee van Loulou die wel vaker ideeën leverde voor gags van Bollie & Billie. Loulou was Jean Roba's eerste vrouw, de liefde van zijn leven. Waar halen auteurs hun inspiratie vandaan? Soms gewoon uit hun dagelijks leven. Loulou schonk Roba een zoon die als kind model stond voor Bollie. Ook hun cockerspaniël schopte het tot een stripversie als Billie.

Terwijl Bollie als eeuwig kind in de stripserie zal voorkomen, liep het helaas fout voor Roba's echte zoon Philippe. In juli 1999 trok Philippe Roba na een ruzie met geweld een geladen geweer en richtte het op zijn vrouw met het dreigement dat hij haar zou vermoorden. In april 2002 werd hij veroordeeld voor poging tot moord. Tijdens het proces probeerde de advocaat een situatie te schetsen die het verschil in het familiale karakter tussen de populaire stripreeks en de realiteit moest verduidelijken. Philippe werkte bij zijn vader en werd daarvoor betaald. Na zijn wandaad moest hij in voorhechtenis en zijn vader ontsloeg hem omdat hij dus niet meer kwam opdagen op zijn werk. De advocaat vond dat een zwaar doorwegend feit om zijn cliënt enig respijt te geven. Maar de rechters hadden daar geen oren naar. Door de ernst van zijn criminele daad te erkennen, raakte hij ervanaf met een jaar gevangenis met uitstel.


Leentjebuur Bessy en De Rode Ridder
bij Blueberry
11/04
TOP
Ons westernoverzicht riep tal van reacties op. Vooreerst kwamen er tientallen tips van westernstripliefhebbers en -verzamelaars. Leo Kupers, een van hen, groef wat dieper in twee notoire stripreeksen en bokste onderstaand vergelijkend onderzoek tussen Bessy (en De Rode Ridder) enerzijds en Blueberry anderzijds in elkaar.

Jean Giraud baseerde zich voor zijn tekeningen in de ultieme westernstrip Blueberry voor een deel op speelfilms, (film)posters, tv-series, modetijdschriften en schilderijen. Dit gold ook voor strips die hij onder zijn pseudoniem Mœbius uitbracht.(1) Van leentjebuur spelen bij een andere strip is bij mijn weten nooit iets gevonden. Dat lijkt ook niet het geval bij een vergelijking tussen Bessy en Blueberry.(2)

Over het plagiaat door Willy Vandersteen op basis van onder meer Prins Valiant van Hal Foster en Eric de Noorman van Hans G. Kresse is al veel geschreven.(3) Ook een aantal van zijn medewerkers konden er wat van. In de reeksen Bessy en Blueberry zijn talrijke voorbeelden te vinden, waarbij tekenaars van Studio Vandersteen zich op Jean Girauds werk hebben gebaseerd. De Muiters, Het Hol van Krotax en Het Wagengeweer spannen de kroon, alle drie van de hand van Karel Verschuere.(4) Verder zijn ook in een Rode Ridder-album van Karel Biddeloo tekeningen te vinden die overduidelijk op een Blueberry-verhaal zijn gebaseerd.(5)

In onderstaande tabel is te vinden welke van de onderzochte uitgaves het eerst verschenen zijn. Bij de Blueberry-albums staat de verschijningsdatum in het Franse tijdschrift Pilote, gevolgd door de Franse verschijningsdatum in albumvorm. Deze tabel dient als basis voor de rest van dit artikel.(6)

Tekenaar Serie Titel Duitse titel (Bessy) /
Franse titel (Blueberry)
Eerste uitgave
Karel Verschuere Bessy 73: De Muiters 107: Feuer im Tal des Todes (7) 1968 (Duitsland)
Karel Verschuere Bessy 78: Offer aan de Nacht   1969
Karel Verschuere Bessy 80: Het Hol van Krotax   1970
Karel Verschuere Bessy 81: Het Wagengeweer   1970
Studio Vandersteen Bessy 88: De Bron   1971
Studio Vandersteen Bessy 91: Corvo de Raaf   1972
Studio Vandersteen Bessy 98: De Degen der Vrede   1972
Studio Vandersteen Bessy 102: Kid, de Apache   1973
Karel Biddeloo De Rode Ridder 61: In de Schaduw van de Thughs   1974
Jean Giraud Blueberry 1: Fort Navajo 1: Fort Navajo 1963 (Pilote)
1965 (album)
Jean Giraud Blueberry 3: De Eenzame Adelaar 3: L'Aigle Solitaire 1964 (Pilote)
1967 (album)
Jean Giraud Blueberry 5: Oorlog of Vrede 5: La Piste des Navajos 1965 (Pilote)
1968 (album)
Jean Giraud Blueberry 7: Het IJzeren Paard 7: Le Cheval de Fer 1966 (Pilote)
1970 (album)
Jean Giraud Blueberry 8: De Man met de IJzeren Vuist 8: L'Homme au Poing d'Acier 1967 (Pilote)
1970 (album)
Jean Giraud Blueberry 9: Vlakte der Sioux 9: La Piste des Sioux 1967 (Pilote)
1971 (album)
Jean Giraud Blueberry 10: Generaal Geelkop 10: Général "Tête Jaune" 1968 (Pilote)
1971 (album)

Bij het maken van de vergelijkingen heb ik de Blueberry-albums, waarin dus de originele tekeningen verschenen zijn, als uitgangspunt genomen.


Fort Navajo
Het eerste Blueberry-album vormde al meteen een rijke bron van inspiratie voor Karel Verschuere in het Bessy-verhaal De Muiters.(8)

Links de aankomst van de postkoets met onder meer Blueberry aan boord op de door Mescalero Apachen overvallen ranch van Stanton (pagina 9, prent 5). Rechts de aankomst van de diligence met Andy Cayoon en Ronny als menner en begeleider op het door de muiters overvallen home station. De overeenkomsten zijn meer dan treffend. Wat ontbreekt zijn onder meer de lijken op de voorgrond en verder is de rook wat minder prominent (De Muiters, pagina 15, prent 1).


Het linkergedeelte van de prent uit Fort Navajo (pagina 10, prent 3) wordt overduidelijk in De Muiters gebruikt (De muiters pagina 15, prent 5). Bij Blueberry blijkt rancheigenaar Phil Stanton nog (kort) in leven, bij Bessy is de overlevende een van de mannen van het home station, Murphy geheten.


Wederom overduidelijke gelijkenissen bij de ontdekking van de respectievelijke overlevenden Phil Stanton (pagina 10, prent 7) en Murphy (De Muiters, pagina 15, prent 6). Met name het houtwerk links en natuurlijk de laarzen met steen ervoor en ook een beetje het houtwerk rechts.


De overeenkomsten bij het verzorgen van de gewonde zijn wat minder, maar toch diende Blueberry hier (pagina 10, prent 8) als inspiratiebron voor Bessy (De Muiters, pagina 15, prent 9).


Hier is het weer zonneklaar. De houding van de gewonden Phil Stanton (pagina 10, prent 9) en Murphy (De Muiters, pagina 15, prent 7) is identiek. Ze lijken hier zelfs sterk op elkaar. Alleen de koetsier is vervangen door Andy.


De Eenzame Adelaar
Uit dit derde Blueberry-album werden de meeste tekeningen als uitgangspunt genomen. Voor zover ik heb kunnen ontdekken, gebeurde dit in maar liefst vier Bessy-verhalen: De Muiters en in mindere mate Het Wagengeweer, De Bron en De Degen der Vrede.

Links Fort Quitman in Blueberry (pagina 6, laatste prent) en rechts Fort Atkinson uit Bessy (Het Wagengeweer, pagina 11, laatste prent).


Kolonel Birdling uit De Eenzame Adelaar (pagina 7, tweede prent) en zijn bijna evenbeeld majoor Blowstone uit Het Wagengeweer (pagina 11, tweede prent): houding, scheiding in het haar, snor, brandende sigaar en olielamp.


De Apachen onder Natchez jagen op Blueberry en zijn mannen (pagina 27, prent 3) versus de Apachen van Dull Knife die Andy, Ronny en hun gezelschap komen redden in de woestijn om vervolgens tegen de muitende soldaten te gaan vechten (De Muiters, pagina 25, prent 4).


Boven links de krijgers van Natchez met Quanah, de Eenzame Adelaar (pagina 28, prent 7) en boven rechts de krijgers van Dull Knife met Andy (De Muiters, pagina 26, prent 4). Let ook op het gebergte op de achtergrond.


En let hier op de gelijkenissen van drie ruiters. De prent uit De Eenzame Adelaar (pagina 30, prent 1), diende niet alleen als basis voor De Muiters (pagina 26, prent 9), maar ook voor De Bron (pagina 12, prent 9).


Links aanvallende Apachen, rechts Papago's (pagina 30, prent 4 en De Bron, pagina 12 prent 1).


De aanvallen van de goede Apachen op de muiters in de Dodemansvallei (onderaan, De Muiters, pagina 27, prent 1) lijkt zeer sterk op de aanval van de 'slechte' Apachen op de 'goede' blauwjassen van Blueberry (bovenaan, pagina 31, prent 3).


De val die Blueberry en zijn mannen zetten voor de Apachen (pagina 32, prent 1) tegenover de val van de muiters voor de postkoets (De Muiters, pagina 21, prent 1). Zelfs de rots is hetzelfde, net als de houding van de soldaten en de muiters.


Eenzame Adelaar hakt als een bezetene de door Blueberry en zijn mannen gespannen touwen door (pagina 36, prent 7). De vechtende Dull Knife (De Muiters. pagina 27, prent 5) heeft exact dezelfde houding als hij zijn tomahawk hanteert.


Brandstichting door Apachen om een karavaan te hinderen geschiedt blijkbaar altijd in dezelfde houding. Links door een Apache van Eenzame Adelaar (pagina 40, prent 8) en rechts door een Mojave Apache in De Degen der Vrede (pagina 2, prent 4).


Let op de houding van de ruiter en zijn paard op de voorgrond links plus de huifkar en de ruiter daarnaast. Andy neemt duidelijk de plaats in van de cavalerist tweede van rechts boven. (Respectievelijk pagina 44, prent 3 en De Degen der Vrede, pagina 2, prent 3).


Oorlog of Vrede
 Het kamp van Cochise (pagina 3, prent 1) en het dorp van Edelhert (Kid de Apache, pagina 5, prent 1). In het dorp van Edelhert is het een stuk minder druk, maar de wachtpost vooraan plus de rots waar hij bij staat hebben veel van elkaar weg. Bovendien is er in beide kampementen een waterpoel op de voorgrond met een squaw in dezelfde houding. Ook de vergaderaars in het midden komen in beide prents voor.


Natchez spreekt in het kamp van Cochise (pagina 3, prent 2) versus het prijzen van Dull Knife door indianenagent Edward Price (De Muiters, pagina 28, prent 7). Wederom een zeer grote gelijkenis, met name de indianen op de voorste rij.


Het IJzeren Paard
Blueberry en Kopernek (Het IJzeren Paard, pag 8, prent 6) zijn in twee Mojave Apachen veranderd (De Degen der Vrede, pagina 4, prent 2).


In spiegelbeeld. Kopernek vindt een veer van Cheyennes op het oorlogspad (pagina 11, prent 8) en Edelhert vindt een veer van vijandige Kiowa's (Het Hol van Krotax, pagina 16, prent 10).


Cheyennes hebben een klein konvooi, met daarin onder meer Jimmy McClure, omsingeld. Het lijkt nog een kwestie van tijd voor ze het overmeesteren (pagina 12, prent 3). Ernaast: Kiowa's hebben een wagon train overvallen. De pioniers staan voor een moeilijke opgave. Spiegelbeeld en wat anders, maar toch lijkt het op de oorspronkelijke tekening (Het Hol van Krotax, pagina 1, prent 1).


Links de overlevenden van het konvooi na terugtrekking van de Cheyennes met op de voorgrond Jimmy McClure en achteraan Blueberry en Kopernek (pagina 14, prent 5). Rechts de overlevenden van de wagon train. Haast identiek. McClure is vervangen door een onbekende man, rechts achter Andy en Bessy (Het Hol van Krotax, pagina 2, prent 7).


Boven verzamelen Sioux en Cheyennes zich op bevel van hun opperhoofden (pagina 43, prent 1). Eronder vluchten de Kiowa's na door Andy en Bessy met dynamiet op de vlucht te zijn gejaagd (Het Hol van Krotax, pagina 2, prent 4).


Blueberry blaast bomen op om zo de aanval van de Sioux en de Cheyennes op de trein van de Union Pacific te vertragen (pagina 44, prent 4). Andy bestookt de Kiowa's met dynamiet, door Bessy tussen de rennende paarden gelegd. De overeenkomsten zijn weer niet te missen (Het Hol van Krotax, pagina 2 prent 1).


De Man met de IJzeren Vuist
Links de daadkrachtige generaal Dodge (pagina 7, prent 9). De weifelende majoor Bartley (rechts) lijkt wel zijn tweelingbroer (Het Hol van Krotax, pagina 26, prent 9).


Generaal Dodge en Blueberry (pagina 8, prent 1) zijn vervangen door majoor Bartley en Stafford (Het Hol van Krotax, pagina 26, prent 2).


Vlakte der Sioux
Links op de voorgrond een bendelid van Jethro Steelfingers (pagina 22, prent 6) en rechts zijn kloon Jeffers (Het Hol van Krotax, pagina 4, prent 1).


Jimmy McClure, Kopernek, Sharp en enkele soldaten steken de rivier over (pagina 23, prent 4). Rechts een cavalerieafdeling die de Powder River oversteekt (Het Wagengeweer, pagina 8, prent 6).


Links het kamp van het 7e cavalerie van generaal Allister bij Julesburg (pagina 43, prent 1). Rechts het kamp van de cavalerie van generaal Fenimore Capote bij een farm. Minder omvangrijk dan bij Blueberry, maar let op de huifkarren vooraan, de tent rechts, de opstelling van de soldaten in het midden en op de tenten rechts. Die staan allemaal in het voorbeeld (Het Wagengeweer, pagina 4, prent 8).


Links de commandotent van generaal Allister (pagina 43. prent 4), rechts die van generaal Capote (Het Wagengeweer, pagina 7 prent 1). Tentopening plus soldaat links, de olielamp, de drie mannen en de kist rechts...


De rituele dansen in Vlakte der Sioux (pagina 45, prent 7) en de wilde toverdans van Crow-medicijnman Valkenklauw (Offer aan de Nacht, pagina 26, prent 1). De medicijnman is gespiegeld, maar er zijn diverse overeenkomsten. De vogel op het schild is één op één overgenomen. Let ook op de tipi en de indianen rechts.


Generaal Geelkop
De aanval van de Cheyennes op het konvooi van Blueberry (pagina 20, prent 2) en de aanval van de Hidatsa's op de cavalerie van generaal Fenimore Capote (Het Wagengeweer, pagina 9 prent 2). De overeenkomsten van de indianen op de voorgrond zijn treffend, evenals het perspectief van de aanval.


De aanval van de Cheyennes op het konvooi van Blueberry boven (pagina 23, prent 7). De aanval van de Kiowa's op Jeffers links is haast het evenbeeld (Het Hol van Krotax, pagina 20, prent 1).


De Cheyennes op de voorgrond (pagina 24, prent 1) komen bij Bessy twee keer terug als Kiowa's (Het Hol van Krotax, pagina 20, prent 3 en Corvo de Raaf, pagina 17, prent 3).


Boven gaat het dus om de onderste, grote prent van de drie. Het slagveld van de door generaal Allister ingehaalde Cheyenne-vluchtelingen (pagina 33, prent 8). Het slagveld van het in de pan gehakte cavalerieregiment van generaal Fenimore Capote lijkt er heel sterk op (Het Wagengeweer, pag 12 prent 6)
 

Boven rijden de cavaleristen onder leiding van de ambitieuze onbenul luitenant Budinglow met Blueberry in de gelederen op een door de Sioux, Cheyennes en Arapaho's gezette val af (pagina 43, prent 3). Onder rijdt de ruiterij van de hufterige heer Brakk eveneens in de val, ditmaal gezet door het woeste krijgersvolk de Thughs (In de Schaduw van de Thughs, pagina 29 prent 5).



Budinglow (pagina 43, prent 5) en Brakk (In de Schaduw van de Thughs, pagina 29 prent 7) realiseren zich dat ze in de val zijn gelopen. Haast schaamteloze kopiëen, westernsetting en middeleeuwen.


De hopeloze strijd van de cavaleristen, nu onder leiding van Blueberry, (pagina 45, prent 5). De doodsstrijd van de cavaleristen van Fenimore Capote tegen de Hidatsa’s. Opnieuw tal van overeenkomsten (Het Wagengeweer, pagina 10, prent 5).
Dat geldt ook voor de rest van de veldslag (zie de prenten hieronder). Als twee druppels water…
Twee keer in het nauw… (pagina 47, prent 1 versus Het Wagengeweer, pagina 10, prent 6).

Links de redding in aantocht (pagina 48, prent 3) en rechts de nabije ondergang (Het Wagengeweer, pagina 10, laatste prent).


Noten
(1) http://www.stripspeciaalzaak.be/Weetje-vd-Week/Weetje-vd-Week_001-025.htm#Weetje015
http://www.stripspeciaalzaak.be/Weetje-vd-Week/Weetje-vd-Week_076-100.htm#Weetje082
http://www.stripspecia
alzaak.be/Weetje-vd-Week/Weetje-vd-Week_076-100.htm#Weetje083
http://www.familietroch.be/stripspeciaalzaak/Stripspeciaalzaak/www.stripspeciaalzaak.be/Moh_Vergezocht.html (Vergezocht 9)
(2) Helaas beschik ik niet over indexen van Stripschrift, Striprofiel of ZozoLala (op internet zijn er 27 te vinden: http://issuu.com/zetel/stacks/587772944c5e40fcaadf8f055ef8397b ).
In de indexen van Brabant Strip Magazine kan ik niets terugvinden: http://www.brabantstrip.be/brabantstrip/archief/vorigejaren.htm
Wel interessant in dit geval is Brabant Strip Magazine (BSM) 143, oktober 2006. Hierin: De Bessy Studio deel 2: De chaos na Wirel... Hierin echter niets over het natekenen van strips van andere uitgevers. Wel onder meer over het omtoveren van Karl May- naar Bessy-strips, vooral voor de Duitse markt. Deel 1 van De Bessy Studio verscheen in BSM 136, deel 3 over de Duitse markt in BSM 155.
Meer over Blueberry is onder meer te vinden in:
Kees de Bree, Hans Frederiks, De Kleurrijke Helden van Giraud/Mœbius (Stripschriftspecial), 1982.
Samenvattend kan ik in elk niets vinden over een vergelijking tussen Bessy en Blueberry, dus ik weet niet of er al eens eerder over geschreven is.
(3) http://www.stripspeciaalzaak.be/Interviews/WillyVandersteen.pdf
http://cobra.be/cm/cobra/boek/1.1424913
Rob Mohlmann, Prins Valiants Zwartboek over Plagiaat, 1982
http://verborgenbibliotheek.blogspot.nl/2013/12/prins-valiants-zwartboek-over-plagiaat.html
http://www.familietroch.be/stripspeciaalzaak/Stripspeciaalzaak/www.stripspeciaalzaak.be/Moh_Vergezocht.html (Vergezocht 10)
http://www.davidsfonds.be/academie/course/detail.phtml?id=653
(4) Jean Smits, De Bessy Studio deel 2: De Chaos na Wirel..., Brabant Strip Magazine 143, pp. 4-11.
Op pagina 10 staat vermeld dat Karel Verschuere de volgende albums van de tweede reeks heeft gemaakt: 73, 76, 77, 78, 79, 80 en 81. Deel 94 tekende hij vanaf strook 49.
Op http://bessy.ophetwww.net/geschiedenis.php staat echter dat Karel Verschuere vier albums uit de tweede reeks maakte.
(5) Met dit overzicht pretendeer ik geenszins volledig te zijn. Het is alleen wat ik zelf bij lezing van de diverse albums heb geconstateerd.
(6) Bronnen tabel:
http://www.catawiki.nl
http://www.bdoubliees.com/journalpilote/series1/blueberry.htm
http://www.comicguide.de/php/detail.php?id=422&file=r&display=short&thisOffset=0&lineIndex=0
(7) Smits, idem, pagina 10. “Het eerste verhaal De Muiters was echter al eerder in Duitsland verschenen als nummer 107, op 10 juni 1968.” De voorpagina van dit verhaal, Feuer im Tal des Todes, is echter anders. De voorpagina van het Nederlandstalige nummer 73, De Muiters, was in de Duitse reeks de voorpagina van Bessy nummer 109: Gold in der Prärie. Zie hiervoor:
http://www.comicguide.de/php/detail.php?id=422&file=r&display=short&thisOffset=100&lineIndex=100
Ook de andere titels zijn in het Duits verschenen, te vinden via bovenstaande url. Ik weet echter niet in welk jaar, dus daarom heb ik ze niet vermeld.
(8) Deze en andere tekeningen uit Blueberry-albums (Fort Navajo, Vlakte der Sioux, Generaal Geelkop) gebruikte Karel Verschuere ook in het in Het Laatste Nieuws verschenen verhaal Arendsklauw (1971). Deel 1: Het Verraad van Grijze Eland verscheen in 2007 als deel 49 van de Collectie Fenix. Het betreft prenten op de pagina's 6, 14 en 47). In de delen 2 en 3 heb ik niets kunnen ontdekken. Arendsklauw was geen uitgave van Studio Vandersteen en valt daarom buiten de scope van dit artikel.


Onvoltooid project (14): Chlorophyl door Pierre-Yves Gabrion en Michel Plessix
04/04
TOP
In 2014 publiceerde Le Lombard het eerste deel van een tweeluik van Chlorophyl door Godi en de onvermijdelijke scenarist Zidrou. Het betekende een comeback van het marmotje van wie sinds 1989 geen albums meer verschenen. Dat comebackalbum hebben we besproken in de rubriek Klare Taal. Wat we toen niet door hadden, of niet begrepen hadden, was dat de reeks Une Aventure de Chlorophylle een collectie moet worden naar het voorbeeld van Robbedoes door... met afgeronde verhalen per album of per minicyclus van twee of eventueel meerdere delen. Dat verklaart dan het Chlorophyl-project van René Hausman (zie afbeelding hierboven) die op scenario van Jean-Luc Cornette aan een album werkt. Er zou nog een derde duo aan de slag zijn, maar we kwamen nergens te weten wie dit precies zijn.

Een comeback van Chlorophyl stond al langer in de steigers. Een van de voorstellen die het niet haalden, kwam van Pierre-Yves Gabrion (De Java-Mens, Kapitein Moulin Rouge, Scott Zombi, Primal Zone) en Michel Plessix die met De Wind in de Wilgen zelf al een gewaardeerde dierenstripreeks op zijn actief heeft. Le Lombard wilde dolgraag hun project publiceren, maar de auteurs konden zich onmogelijk vinden in de voorgestelde plaatprijs. Gabrion hierover: "Zonder in detail te treden, de financiële voorwaarden waren die van een debutant van twintig jaar geleden. Dat moesten we wel weigeren. Als 'profs' al zo'n tarieven aanvaarden, wat blijft er dan over voor debutanten om van te overleven? Sindsdien zijn deze onheuse werkomstandigheden helaas de norm geworden." Er ontbreekt ons helaas beeldmateriaal van hun Chlorophyl-voorstel om dit artikel te illustreren.
(Bron: Frédéric Bosser — dBD 92, april 2015)


De uitschuivers van Lucky Luke
14/03
TOP
Door de Franse censuurcommissie in de jaren 1950 en 1960, die een waakzaam oog op jeugdstrips hield, hield Lucky Luke-tekenaar Morris zich jarenlang braafjes aan een zelfopgelegde censuur van de Belgische uitgeverij Dupuis. De Fransen waren dubbel zo streng voor buitenlande strips dan voor eigen publicaties. Dupuis (met het weekblad Robbedoes) en Le Lombard (met Kuifje) hadden dan ook een flink deel van de markt in handen. Dupuis paste een soort voorafcensuur toe om eventuele last bij de werkelijke censuurcommissie te vermijden. In Lucky Luke zouden er voortaan geen bandieten meer neergeknald worden. Alcohol en gratuit geweld waren al helemaal uit den boze bij de katholieke uitgeverij. En Morris besefte zelf wel dat hij geen rondborstige saloonmeisjes met nauwelijks verhulde lange benen moest tekenen.

Omdat het bij Morris knaagde dat zijn albums lang niet zo'n mooie hardcoveruitvoering kregen als reeken van zijn collega's André Franquin, Jijé en anderen zocht hij in 1968 de concurrentie op bij Dargaud (de toenmalige uitgever van directe concurrent Pilote) die wel een mooie albumreeks wilde granderen. Er speelden ook nog andere redenen mee, een investering in de eerste tekenfilm bijvoorbeeld. Omdat Morris ineens voor een Frans tijdschrift werkte, keek de censuurcommissie niet meer op zijn vingers. En daar kwamen ineens karrenvrachten saloongirls, bijvoorbeeld in Dalton City.

Morris permitteerde zich nochtans tevoren al een uitschuiver. In 1966 maakte hij voor het Belgische studentenblad Le Point en voor het Franse Giff Wiff een gag met de titel Lucky Luke se Défoule. Daarin ging hij uitgebreid te keer tegen alle vormen van censuur die hij tot dan opgelegd kreeg. Hij portretteerde Lucky Luke als een vloekende, drinkende en rondscharrelende cowboy. De hoofdletter M op het briefje waar hij op schiet, is het logo van de Melkbrigade, een initiatief van de overheid om jongeren meer melk te laten drinken. De weekbladen Robbedoes en Kuifje, en met hen heel wat betrokken tekenaars, werden mee ingeschakeld voor de campagne. Morris liet het nog na om een seksscène in zijn eigen parodie te tekenen. Dat deden anderen jaren later wel in zijn plaats in een paar stomende pornoparodieën. De gag verscheen achteraf in het Frans in Stripschrift 38 1/2 (1972) op reuzeformaat en in vertaalde vorm in Stripschriftspecial 3 (1981). Die laatste versie staat bovenaan dit artikel afgebeeld.

Voor de rest bleef Morris decennialang keurig in het gelid lopen. Hij was het de enorme populariteit van zijn reeks met een navenante miljoenenverkoop wel verplicht om zo weinig mogelijk voor het hoofd te stoten. In de jaren 1980 werden er alleen al in het Nederlands tweehonderdduizend exemplaren per nieuw album gedrukt. Luke wisselde in 1983 zijn zelfgerolde sigaretten in voor een strootje wat hem een compliment van de Wereldgezondheidsorganisatie opleverde.



In 1995 waagde hij zich nogmaals aan een uitspatting voor zijn held. Voor het Franstalige collectiefalbum Rire C'est Rire tekende hij bovenstaande cover en onderstaande cartoon. Dit album verscheen voor het goede doel naar aanleiding van het vijftiende Festival International du Rire in het Waalse Rochefort. Dertig tekenaars leverden exclusieve strips, cartoons of illustraties. Dany was de eregenodigde van het festival en sommige collega's knipoogden in hun bijdrages naar de tekenaar van het poëtisch-romantische Roze Bottel en Duifje Vleugelslag en het erotische Rooie Oortjes. Zo ook Morris die zijn eigen erotisch getinte cartoon opdroeg aan Dany.

Een wellustige Lucky Luke die graag een naakte schone wil brandmerken, zo kenden we hem nog niet... tenzij misschien uit de eerder vermelde pornoparodieën waarin de slogan "de man die sneller schiet dan zijn schaduw" een andere invulling kreeg.



Prettige verjaardag, Robin Hoed!
07/03
TOP
In Kuifje 36 van 4 september 1979 blies de gagserie Robin Hoed van Turk en Bob De Groot tien kaarsjes uit. Hij was toen al een van de populairste stripreeksen in het weekblad en dat resulteerde nog vaak in zeer hoge scores in de jaarlijkse opiniepeilingen. Uiteraard stond Robin Hoed op de cover en was er een kortverhaal van vijf pagina's te lezen. Op de backcover stond een gag uit de oude doos en middenin zat een poster met daarop alle hoofd- en vaak weerkerende nevenpersonages in de reeks. Robin en de sheriff van Nottingham figureerden verder nog op twee spelletjespagina's, geïllustreerd door Ferry.

Bij een knotsgek interview met de auteurs stond nevenstaande illustratie: de eerste schets van Robin Hood (nog niet Hoed genoemd). Scenarist De Groot vond het ontwerp te groot. In feite wilde hij lever een karikatuur van de flamboyante acteur Errol Flynn die Robin Hood in de film The Adventures of Robin Hood (1938) vertolkte. Uiteindelijk werd het een opdondertje waarvan je hieronder het ontwerp ziet.


Behalve een Knipoogje van Ernst waren er verder geen gags of kortverhalen van andere auteurs aan Robin Hoed gewijd. Maar op een fraaie dubbelpagina (zie bovenaan dit artikel, klik erop voor een grotere weergave) stonden wel veertien cartoons van collega's verzameld. Een groot aantal felicitaties kwam van bij concurrent Robbedoes publicerende auteurs, al is dat relatief. André Franquin (die met een weinig bekende cartoon van Guust een hommage levert) heeft enkele jaren Ton en Tineke voor Kuifje getekend. Will (Baard en Kale, Isabel) heeft nog als artistiek directeur voor het weekblad gewerkt. Raymond Macherot (Snoesje) leverde met Chlorophyl en Clifton twee reeksen die nog decennialang in het weekblad aanwezig bleven in de handen van diverse opvolgers nadat hij zijn vrienden bij Robbedoes opzocht om voortaan daar strips voor te maken. Marc Wasterlain (Dokter Zwitser) debuteerde in Kuifje als inkter voor Dino Attanasio's versie van Ton en Tineke. Later tekende hij voor Kuifje zijn eerste eigen stripreeks Bob Moon en Titania. Derib (Buddy Longway) maakte daarentegen de omgekeerde beweging door van Robbedoes naar Kuifje over te stappen. Verder leverden ook nog Willy Lambil (De Blauwbloezen), François Walthéry (Natasja), Tibet (Chick Bill), Morris (Lucky Luke), Dany (Roze Bottel en Duifje Vleugelslag), Ernst en Dupa (Dommel) een bijdrage. Zo'n verjaardag willen wij ook wel!


Vriendendiensten
28/02
TOP
"Tekeningen: Roba en Jidéhem" staat er op de covers van De Sliert deel 3 en 4 uit 1984. En als je een willekeurige pagina openslaat uit de titelverhalen De Sliert op Zoek en De Sliert in de Tegenaanval (zie hierboven) zit je eigenlijk naar het complete tekenwerk van Jidéhem te kijken.

Jidéhem tekende van 1957 tot 1968 de decors van André Franquins Robbedoes en Kwabbernoot en inktte de eerste gags van Guust. Hey, hij tekende ze zelfs volledig uit naar een storyboard van Franquin. Hij ontleende aan het personage uitdrukkingen als "m'enfin" (vertaald als "nou moe") en "bof". De fysieke verschijning van Jidéhems vader leidde naar de bekende contractenman De Mesmaeker in Guust. Jidéhems echte naam is Jean De Mesmaeker. Het was Franquins bedoeling om Guust na verloop van tijd volledig aan Jidéhem over te dragen. Dat gunde Franquin hem wel omdat Jidéhem toen geen eigen serie had. Maar op een dag kwam Jidéhem 'm vertellen dat hij weinig voeling had met de antiheld. Het personage was te soepel getekend en hij geloofde er niet echt in. Jidéhem tekende wat gedecideerder. Ze tekenden dan maar samen de serie tot het moment dat Guust definitief op één pagina werd gepubliceerd. Jidéhem had ondertussen met Sophie zijn eigen serie en Franquin was van Robbedoes verlost. Hij hervond zelfs het plezier om decors te tekenen.

Nu hij op eigen benen stond met de volwaardige serie Sophie had Jidéhem geen gebrek aan bijkomend werk. In 1969 had Jean Roba het stervensdruk met Bollie en Billie terwijl hij nog een tweede serie, De Sliert (naar een oorspronkelijk idee van André Franquin voor Jo-El Azara), had lopen. Roba had niet zoveel zin meer in De Sliert en hield het bij het rudimentair schetsen van de pagina's die Jidéhem in detail uitwerkte en zelf inktte. Het is correct te stellen dat Jidéhem de werkelijke tekenaar is van De Sliert op Zoek en De Sliert in de Tegenaanval. Dat laat hij ook uitschijnen in een interview voor de derde integrale van Sophie. Een tiental jaar later hielp hij François Walthéry voor de decors van het Natasja-dubbelverhaal Opnamen voor Caltech en De Raadselachtige Gedaanten. Ook deze assistentie werd netjes vermeld in de albums.

Maar lang niet al zijn assistentenwerk is gecrediteerd. Soms hielp hij tekenaars die te laat waren met hun eigen werk. Zulke vriendendiensten gebeurden wel vaker bij de kliek van het weekblad Robbedoes. Peyo bijvoorbeeld moest regelmatig een beroep doen op extra hulp. Er waren blijkbaar wel meer tekenaars die Peyo uit de nood hielpen voor zijn De Smurfen. Jidéhem: "Hoeveel keer ben ik niet samen met Roba in laatste instantie aan platen van De Smurfen gaan tekenen?! Hij belde ons aanvankelijk op voor een simpele depannage, we kraakten een flesje open en het eindigde om drie uur 's nachts op weg naar Marcinelle om de platen naar de drukkerij te brengen." Roba en Jidéhem als occasionele Smurfen-tekenaars dus.

Ook voor Peyo's Steven Sterk kwam Jidéhem een handje helpen. Eigenlijk kwam hij Will vervangen die aan de decors van Steven Sterk werkte. Hij had lang op voorhand Peyo verwittigd dat hij op vakantie zou gaan, maar Peyo raakte toch in chronische tijdsnood terwijl Will al was vertrokken. Peyo lokte Jidéhem naar zich toe met de paniekerige boodschap dat Will hem "lafhartig in de steek liet". Alles om Jidéhem dringend te laten komen. Hij tekende de scènes in de gevangenis van Sint-Gillis waaruit Mevrouw Adophine ontsnapte, te lezen in Steven Sterk 2: Mevrouw Adolphine. En ook Roba tekende enkele bandieten op die pagina's (let op hun handjes!). Niemand kwam het ooit te weten. Will merkte bij zijn terugkomst nog lachend op dat Jidéhem zijn job kwam inpikken. "Maar het ging gewoon om vriendendiensten, over geld werd niet gesproken!...", omschreef Jidéhem die amicale periode.



Uit het kringetje van Franquin, Peyo, Roba, Will en Jidéhem kunnen we ondertussen enkele opvallende verstrengelingen distilleren. In een rotvaart sommen we hieronder enkele verbanden op.
Franquin > Peyo: ontwierp de vogel Krwakakrwa en de naam voor Peyo's gelijknamige Smurfen-verhaal en leverde ideeën voor het verhaal. Hij ontwierp het personage Steven Sterk. Hij tekende de cover van een boek met scènes uit de Johan en Pirrewiet-tekenfilm De Fluit met Zes Smurfen.
Franquin > Roba: Leverde het oorspronkelijke idee voor De Sliert.
Franquin > Jidéhem: Franquin was de eerste tekenaar van Starter, een figuurtje voor de autorubriek van Robbedoes. Jidéhem nam het van hem over en vervolgde het een paar decennia. Uit stripverhalen van Starter kwam de strip Sophie voort.
Franquin > Will: schreef mee aan de eerste verhalen van Isabel.
Peyo > Franquin: schreef een kortverhaal van de Marsupilami voor het weekblad Sprint, de allereerste gag van Ton en Tineke en brainstormde mee over de scenario's van de Robbedoes en Kwabbernoot-verhalen QRN op Bretzelburg en Hommeles in Rommelgem. Tijdens een zomervakantie in De Haan kwam hij met Franquin op het woord "schtroumpf" (smurf).
Jidéhem > Peyo: hielp Peyo meermaals om platen af te werken van De Smurfen en Steven Sterk.
Jidéhem > Roba: tekende zo goed als twee complete verhalen van De Sliert. Ze waren samen enkele jaren lang collega's op het atelier van Franquin
Jidéhem > Franquin: assisteerde Franquin jarenlang voor Robbedoes en Kwabbernoot en Guust.
Roba > Franquin: assisteerde Franquin voor de decors en personages voor de Robbedoes-verhalen die oorspronkelijk in een Franse krant verschenen: Tembo Taboe, Robbedoes en de Bobbelmannen en De Miniatuurtjes.
Roba > Peyo: depanneerde enkele keren Peyo om zijn deadlines te halen voor De Smurfen en Steven Sterk.
Will > Peyo: tekende de decors van de eerste Steven Sterk-verhalen. Jaren later tekende hij jungledecors voor een tekenfilmproject van de Marsupilami. Stond met Peyo mee aan de basis van Jakke en Silvester. De eerste drie verhalen werden getekend door Will en Jo-El Azara.
Will > Franquin: tekende decors voor Robbedoes en Kwabbernoot: Het Masker der Stilte en van twee Marsupilami-kortverhalen.
Will > Roba: tekende de decors voor een onafgewerkt en nooit gepubliceerd verhaal van De Sliert.

En we komen later op nog wel meer van zulke dienstverleningen.


Geweigerde strip van Ralph Meyer
21/02
TOP
Voor het jaar 2000 vatte de Franse uitgeverij L'Association het idee op om een stripbundel uit te geven van tweeduizend pagina's: Comix 2000. Elke tekenaar mocht kortverhalen opsturen, onder de voorwaarde dat ze tekstloos en in zwart-wit waren zodat het internationaal gelezen kon worden. Een jury beoordeelde de ingezonden werken voor de uiteindelijke selectie. 324 auteurs uit 29 landen zagen hun werk gepubliceerd. Het resultaat was een gevarieerd aanbod van bekende en (toen nog) onbekende, veelal alternatieve auteurs. De oplage van twaalfduizend exemplaren is inmiddels uitverkocht.

De strips van nogal wat tekenaars vielen dus uit de boot. Een van die niet-geselecteerde strips kwam van Ralph Meyer (Asgard, XIII Mystery 1, Undertakler) en je vindt het hieronder. Het scenario is van Denis Lapière.






























Pomme, een minder gekend gagreeksje van Jean Roba
07/02
TOP
Begin jaren 1960 was een productieve periode voor Jean Roba. De eind 1959 gecreëerde gagreeks Bollie en Billie was nog niet de miljoenenbestseller en hij kon er andere projecten bij nemen. Hij had mee aan de wieg kunnen staan van het Franse stripblad Pilote, waarin onder andere Asterix, Roodbaard, Ravian en Blueberry worden geboren, maar een verschil in beoogde doelgroep doet Roba beslissen om het te houden bij zijn op kinderen toegespitste gags en verhalen. De Sliert werd zijn tweede grote serie voor het weekblad Robbedoes waar hij vrij trouw aan bleef.

In 1962tot 1965 permitteerde hij zich toch een uitstapje, meerbepaald voor het maandblad Record van de Franse uitgeverij Bayard voor de jeugd van elf tot zestien jaar. Hij tekende welgeteld elf gags van Pomme (een meisje dat in eenzelfde voorstadswijk als die van Bollie en Billie lijkt te wonen) waarvan we de eerste zeven konden traceren en onderaan dit artikel presenteren.

Record hield het in eerste instantie tien jaar vol. Er kwamen nog twee extra pogingen om het blad te vervolgen. In 1976 verscheen het laatste van in totaal 195 nummers. Het grootste succes dat eruit voortvloeide was Iznogoedh van Jean Tabary en René Goscinny. Ook Will (die er als artistiek directeur hele mooie covers voor tekende), Marcel Gotlib, Eddy Paape, Jean Giraud, Victor Hubinon, Albert Uderzo, Jidéhem, Jo-El Azara en vele anderen publiceerden in het blad nieuwe strips. André Franquin ontwierp eveneens een nieuwe serie met een jongetje in de hoofdrol, maar hij hield het snel voor bekeken nog voor er een plaat van gepubliceerd raakte.





















Reünie van stripfiguren op een Kuifje-poster
31/01
TOP
Bovenstaande poster verscheen in 1957 in de Franstalige versie van het kerstnummer van Kuifje. De bekendste helden van toen zijn er verzameld op een feestje. De volgende tekenaars werkten mee aan de poster: Hergé, Edgar P. Jacobs, Willy Vandersteen, Jean Graton, Liliane en Fred Funcken, Jacques Martin, André Franquin, François Craenhals, Tibet, Albert Weinberg, Maurice Maréchal, Raymond Reding, Bob De Moor en Raymond Macherot.