Dit is archiefpagina 7 van de rubriek Weetje v/d Week.
Klik verder naar alle eerdere updates, van Weetje 151 tot 175:
175 Onvoltooid project (13): Flodderstrip door Martin Lodewijk
174 Willy Vandersteen in Winterhulp
173 De afgeketste Kuifje-filmprojecten van Jaco Van Dormael en Jean-Pierre Jeunet
172 I... Comme Icare en XIII
171 Tanguy en Laverdure door... Jean Giraud
170 Marcel Uderzo, de miskende van de meeste Asterix-albums
169 Interview met Jeroen De Coninck naar aanleiding van nooit vertaalde prequel van De Fluit met Zes Smurfen
168 Stripfiguren op politieschietstand
167 De echte La Malinche uit Quetzalcoatl
166 Franquin op bezoek bij Disney. Ook Pixar-pionier is fan
165 Het masturberende aapje
164 Mazels Marsupilami-uitstapje bij Disney
163 Negen tekenaars voor laatste Corentin-verhaal
162 Bob De Moors tegenprestatie voor Willy Vandersteens traktatie
161 Fanfilm en muziekclip De Rode Ridder
160 Manara did it again
159 De Belgische strip in de muziekgeschiedenis
158 Het onopgehelderde FBI-dossier over Dan Cooper
157 Overlijdensbericht Willy Vandersteen
156 Ton en Tineke op een rijtje
155 Onvoltooid project (12): Clifton door Alain Julié en François Corteggiani
154 Het Groene Teken
153 Geweigerde Lucky Luke-cover kon in Nederland wel
152 William Vance + Jean Van Hamme = Bruno Brazil Largo Winch Cobra XIII!  
151 De vermiste Bollie en Billie-gag
 
Onvoltooid project (13):
Flodderstrip door Martin Lodewijk
24/01
TOP
Op verzoek van Dick Maas tekende striptekenaar en toen veelgevraagd illustrator Martin Lodewijk in 1986 de filmaffiche voor Flodder. De film over een asociaal gezin dat naar een rijkeluizenwijk verhuist, was een waar kassucces. In 1992 en 1995 volgden respectievelijk de bioscoopfilms Flodder in Amerika en Flodder 3 waar Martin Lodewijk eveneens de affiches voor tekende (zie verder). Van 1993 tot 1998 liepen er ook vijf tv-seizoenen, samen goed voor 62 afleveringen.


Voor Flodder in Amerika was er sprake van een stripversie door Martin Lodewijk. Meer dan twee stroken, die je bovenaan dit artikel ziet afgebeeld, tekende hij niet. Door tijdsgebrek was een compleet album geen optie. Bij uitgeverij De Vrijbuiter verscheen er toch een album, maar dan getekend door Marcel Bosma. Het filmscript werd bewerkt door Wijo Koek. Deze laatste was sowieso al de storyboardtekenaar van de film Flodder in Amerika en daarna de hoofdschrijver van de tv-serie.

Martin Lodewijk tekende in zijn carrière nog twee filmaffiches. Hieronder kan je die bekijken van Theo tegen de Rest van de Wereld (1980) en De Zeemeerman (1996).
Het kortere Agent 327-verhaal De Rest van de Wereld Min Eén (gebundeld in het album Drie Avonturen) is overigens gebaseerd op de Duitse film Theo gegen den Rest der Welt (Theo tegen de Rest van de Wereld).



Willy Vandersteen in Winterhulp
27/12
TOP
Dankzij het vorserswerk van een van onze medewerkers kunnen we je onderstaande zeldzame illustraties uit Willy Vandersteens prilste carrière presenteren. Deze komen met een uitleg.

Een van de eerste officiële stapjes van Vandersteen als tekenaar nam hij in het blad Winterhulp. Dat was een tijdschrift dat maandelijks door de gelijknamige organisatie werd uitgegeven door het Centraal Uitvoerend Comité (er waren ook provinciale en plaatselijke comités). Vanaf het julinummer van 1941 konden we een aantal Vandersteen-tekeningen terugvinden.

Net op het ogenblik dat de jonge Vandersteen (hij is dan 27) zich verder wil ontplooien als (strip)tekenaar, breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Een boel wilskracht en een stevige portie geluk zullen ervoor zorgen dat net in die oorlog zijn schitterende carrière zal starten. Ergens in 1940 waren al de avonturen van Kitty Inno begonnen in Entre Nous, het bedrijfsblad van L'Innovation, zijn toenmalige werkgever. Vanaf maart 1941 stonden Tor de Holbewoner en Pudifar in Wonderland, het wekelijkse bijvoegsel van de krant De Dag. Ergens in 1941 werd hij volgens het historisch onderzoeksbureau Geheugen Collectief* aangezocht een aantal tekeningen te maken voor de Antwerpse afdeling van Winterhulp. In het dossier De Oorlogsjaren van Willy Vandersteen wordt melding gemaakt van een uitgave uit 1942 — de brochure Een jaar winterhulp in de stad Antwerpen — die een twintigtal tekeningen van zijn hand zou bevatten. Om welke tekeningen het in de brochure gaat, weten we niet, maar wel is het zo dat Vandersteen in 1941 al tekeningen had gepubliceerd in het maandblad Winterhulp van het Centraal Uitvoerend Comité. Volgens de bibliografie van Rolf De Ryck uit 1994 zouden in elk van de twaalf tijdschriften uit 1941 (en in twee nummers uit 1942) gagplaten hebben gestaan, maar dat blijkt niet te kloppen. In wat volgt, geven we een overzicht van de gags die in 1941 verschenen, met een referentie naar het nummer van het maandblad en de pagina.
* Geheugen Collectief onderzocht op vraag van de familie Vandersteen en Standaard Uitgeverij naar de ware identiteit van cartoonist Kaproen die een aantal antisemitische prenten zou hebben getekend in 1942 voor het boekje Zóó Zag Brussel de Dietsche Militanten op tekst van Bert Peleman en voor het dagblad Volk en Staat van dezelfde uitgever. Uit het onderzoek bleek wat men al jarenlang vermoedde: Kaproen was een schuilnaam van Willy Vandersteen. Peleman en de uitgever werden na de oorlog veroordeeld voor collaboratie, Vandersteen ontsprong de dans.


Overzicht van de gags die verschenen in 1941
In nummer 7, het julinummer van 1941, staan meteen drie gags. Op pagina 9 zien we een galopperende Sint-Maarten die door Sint-Pieter wordt nageroepen: "En denk eraan, dit is onze laatste mantel." Op pagina 13 geeft Sint-Maarten zijn volledige mantel weg, met de woorden "Hier zie, neem hem maar helemaal, mijn sabel is te bot." Op pagina 35 moet een stuk van Sint-Pieters kleed eraan geloven want: "Ja, beste Sint, ik heb nog veel stof nodig voor de armen." Elk van de gags wordt ondertekend met een sobere hoofdletter W, de eerste maal gevolgd door een punt, de volgende twee keren niet. Opvallend is ook dat telkens tekstueel wordt aangegeven welke protagonist aan het woord is.

Winterhulp 7, 1941 — Pagina 9


Winterhulp 7, 1941 — Pagina 13


Winterhulp 7, 1941 — Pagina 35


In het augustusnummer staan geen tekeningen van Willy Vandersteen, maar in september is hij terug aanwezig, opnieuw met drie tekeningen. Op pagina 12 wordt Sint-Maarten, met een halve mantel, nagewezen door enkele engeltjes: "Kijk... Sint-Maarten is weer bij een arme geweest." Op bladzijde 28, zien we een norse heilige wolkjes beschilderen met een oproep tot steun voor Winterhulp. Sint-Maarten beoordeelt zijn werk: "Prachtig, doe maar alle wolken, Sint... Wie kan het dan nog vergeten?" Op pagina 34 zien we twee engelen op hobbelpaarden hun mantel in twee stukken scheuren. Een derde bestudeert aandachtig een turf over het snijden van mantels. Op de vraag van een klein engeltje "Wat voeren zij uit, Sint-Maarten?" antwoordt hij: "Er is zoveel nood te lenigen dat ik besloten heb een paar helpers op te leiden." De hoofdletter W is duidelijk groter geworden dan voorheen en wordt in de eerste gags gevolgd door een punt, in de laatste niet.

Winterhulp 9, 1941 — Pagina 12


Winterhulp 9, 1941 — Pagina 28


Winterhulp 9, 1941 — Pagina 34


Vandersteen is goed op dreef en in de oktobereditie, nummer 10, is hij opnieuw drie keer aanwezig. In de gag op pagina 22 wordt de hulp van Cupido ingeroepen. Zijn helper schiet pijlen af met steunoproepen en Sint-Maarten moedigt hem aan: "Met uw hulp zal ik het hart van de mensen wel raken." Op pagina 34 heeft hij andere heiligen overtuigd om te doneren voor het goede doel. Terwijl hij aureolen en vleugels verzamelt, zegt hij: "Geef maar op, beste Sinten, Winterhulp kan alles gebruiken." Op de laatste pagina van het blad, pagina 52, wordt hij door zijn paard geholpen bij het scheuren van zijn mantel, want: "Omdat ik mijn sabel vergeten ben, zal ik u de helft maar afscheuren." Opnieuw is de signatuur van Vandersteen wat geëvolueerd. Aan de beentjes van de hoofdletter W heeft hij telkens twee horizontale streepjes getekend, wat de signatuur een ietwat opvallender uitzicht geeft. Ook de punt is verdwenen, al kan je ze met een beetje goede wil nog ontwaren in de tweede gag, waar Vandersteen er ook voor de eerste keer voor kiest om met een witte letter in het zwarte vlak te ondertekenen (in plaats van omgekeerd).

Winterhulp 10, 1941 — Pagina 22


Winterhulp 10, 1941 — Pagina 34


Winterhulp 10, 1941 — Pagina 52


In nummer 11 van het jaar is er opnieuw een kleine onderbreking, zodat Vandersteen het jaar kan afsluiten in de decemberuitgave, met — inderdaad — drie tekeningen. Op pagina 12 collecteert Sint-Maarten bij de drie wijzen. Voor het eerst is het opschrift bij de tekening geen uitspraak van een protagonist, maar een beschrijving: "... en waar de sterre bleef stille staan." Op pagina 30 organiseert hij voor de heiligen een tombola om geld in te zamelen en "... de opbrengst gaat naar Winterhulp!" Opvallend is het overschot van mantels die nog onder de kerstboom ligt. Op pagina 54 krijgt ook de Sint geschenken van de Kerstman: kolen, eetwaren en — natuurlijk — halve mantels. De bedoeling is duidelijk: "Hij vroeg dit als zijn kerstgeschenk om het aan de armen te kunnen uitdelen." In de eerste twee gags is de signatuur terug wat soberder geworden, met een eenvoudige W gevolgd door een punt. De laatste gag lijkt wel ondertekend te zijn met WI, maar de "I" is zo gekunsteld dat het mogelijk eerder aan het drukproces zou kunnen gerelateerd zijn.

Winterhulp 12, 1941 — Pagina 12


Winterhulp 12, 1941 — Pagina 30


Winterhulp 12, 1941 — Pagina 54


En wat nog?
Wij konden enkel de nummers van Winterhulp uit 1941 inkijken. Volgens de bibliografie door Rolf De Ryck waren ook illustraties door Vandersteen aanwezig in de nummers 1 en 3 van 1942. Hoeveel en welke gags, dat weten we niet. In het derde deel uit de Vandersteen-Collectie, geschreven door Peter Van Hooydonck, staat alleszins een illustratie uit het maartnummer en drie illustraties (waarschijnlijk uit de brochure waarvan Geheugen Collectief melding maakt, ook biograaf Van Hooydonck maakt er melding van op pagina 28 van zijn biografie) over soep- en maaltijdbedelingen. Zowel in de bibliografie als de biografie staan nog enkele illustraties afgebeeld die ook in dit artikel werden hernomen (zie overzicht). We lanceren hierbij dan ook een warme oproep om het overzicht hieronder verder aan te vullen (scans en/of informatie zijn meer dan welkom). De vier vermelde Winterhulp-nummers hebben allen dezelfde cover met telkens een andere nummering en datering in de rechterbovenhoek.

NR.
GAG
LAATSTE TEKST
ONDERSCHRIFT
ORIGINELE
PUBLICATIE
EVENTUELE
HERPUBLICATIE
1
... laatste mantel 1941/7, pagina 9  
2
... sabel is te bot 1941/7, pagina 13 • Vandersteen-Collectie 3, pagina 9
• Vandersteen-biografie pagina 27
3
... voor de armen 1941/7, pagina 35 • Vandersteen-Collectie 3, pagina 9
• Vandersteen-biografie pagina 27
4
... een arme geweest 1941/9, pagina 12  
5
... dan nog vergeten 1941/9, pagina 28  
6
... helpers op te leiden 1941/9, pagina 34  
7
... menschen wil raken 1941/10, pagina 22  
8
... kan alles gebruiken 1941/10, pagina 34  
9
... helft maar afscheuren 1941/10, pagina 52 • Vandersteen-Collectie 3, pagina 8
• Vandersteen-biografie pagina 27
10
... bleef stille staan 1941/12, pagina 12 • Vandersteen-biografie pagina 133
11
... naar Winterhulp 1941/12, pagina 30  
12
... te kunnen uitdeelen 1941/12, pagina 54  
?
... ik kan helpen 1942/3, pagina ? • Vandersteen-Collectie 3, pagina 9


Sint-Maarten in Suske en Wiske
In bovenstaande illustraties en op de cover van de Winterhulp-tijdschriften wordt Sint-Maarten als mascotte gebruikt voor het werven van hulp. Maarten van Tours (316-397) was de bisschop van de Franse stad Tours en een belangrijk grondlegger van het christendom. Volgens de legende trok de in Hongarije geboren latere heilige op vijftienjarige leeftijd naar het toenmalige Gallië (Frankrijk) als soldaat in dienst van het Romeinse rijk. Het was een strenge winter. Bij een stadspoort van Amiens deelde hij de helft van zijn mantel aan een bedelaar. De andere helft was het eigendom van Rome en kon hij niet wegschenken. Nog steeds volgens de legende zou de bedelaar een verschijning van Jezus Christus zijn — of stond hij er alleszins symbool voor — die bij het aanvaarden van Maartens gift zou hebben gezegd: "Ik was naakt en gij hebt mij gekleed".

Naastenliefde is een vrome deugd waar Willy Vandersteen in zijn strips veelvuldig gebruik van maakte, zo ook in Suske en Wiske. In het in 1951 als album verschenen De Stalen Bloempot deelt Alowisius Blaaskop, de stadhouder van Amoras, zijn mantel met de haveloze Suske en Wiske. Ze krijgen elk een helft.



In Het Rijmende Paard (albumuitgave in 1963) kent het schilderij van Sint-Maarten Zijn Mantel Delend (1629) door Antoon Van Dyck een hoofdrol, of meerbepaald het paard op het schilderij dat door professor Barabas' uitvinding Teletransfor per ongeluk tot leven is gewekt. Op het einde krijgen we nog een lesje van Sint-Maarten.



De afgeketste Kuifje-filmprojecten
van Jaco Van Dormael en Jean-Pierre Jeunet
20/12
TOP
Weeral problemen rond verdere Kuifje-verfilmingen. Dat is een aanhoudende never ending story. Voor twee mogelijke filmversies die er niet kwamen, zouden de Belgische regisseur Jaco Van Dormael, bekend van Toto le Héros en Le Huitième Jour, en vervolgens Fransman Jean-Pierre Jeunet (Le Fabuleux Destin d'Amélie Poulain) instaan. Geen van hen werd het uiteindelijk gegund.

Fanny Vlamynck, de weduwe van Hergé, en haar huidige echtgenoot Nick Rodwell, gingen eind jaren 1990 in zee met Van Dormael voor een geplande verfilming. Ze blokkeerden de filmrechten een jaar lang — gratis — zodat hij zijn kans kon krijgen. Als een gek werkte hij aan een script, maar de surrealistische richting beviel de rechthebbenden niet. Omdat de meningen dusdanig verschilden, vonden Rodwell en Vlamynck het niet nodig dat Van Dormael nog een nieuwe versie schreef. Dat was een bittere pil om te slikken. Het oponthoud was een van de redenen waarom we dertien jaar moesten wachten op een nieuwe film van Van Dormael, Mister Nobody.

Ondertussen waren er al gesprekken aan de gang met Jeunet. Nick Rodwell was door productiefirma UCG uitgenodigd om een voorvertoning bij te wonen van Amélie Poulain. Het kwam in 1999 tot een afspraak tussen de zaakvoerder van Moulinsart en de regisseur. Als jochie was Jeunet al een fervent lezer van Kuifje. Hij genoot nu de eer om de archieven te bezoeken. En er werd gesproken over een mogelijke filmversie. Tegelijk vernam hij dat Van Dormael zou ontslagen worden, maar hij wist het nog niet. Jeunet drong er eerst op aan het te regelen met Van Dormael voordat er kon verder onderhandeld worden. Het belette Van Dormael niet het Jeunet kwalijk te nemen dat hij zogezegd zijn persoonlijke Kuifje-project de dieperik in hielp. Over het sentiment dat heerste bij het onderhoud tussen Jeunet en Rodwell berichtte de Franse krant Libération indertijd dat Jeunet een onaangename ontmoeting achter de rug had en hij niet wilde werken "met die idoten daar". Onlangs sprak Jeunet dat tegen. Hij luchtte indertijd wel zijn hart over de omstandigheden waarin hij niet wilde werken, alsof er steeds iemand over zijn schouder zou kijken, en die houding zette wellicht kwaad bloed bij de rechthebbenden. Jeunet betwijfelt of Steven Spielberg zou toelaten dat hij op zijn vingers gekeken wordt.


In Jeunets visie zou Kuifje er als een gewone man uitzien die samenwerkt met een zekere Georges Remi bij de krant Le Petit Vingtième. Remi zou dan de verteller zijn van Kuifjes avonturen in stripvorm. Dat zou op een amusante, karikaturale manier gebeuren met een strip-Kuifje als watje terwijl Remi's collega 'in werkelijkheid' in trek was bij vrouwen. Aanvankelijk leek Jeunets versie meer op Indiana Jones and the Raiders of the Lost Ark dan op de stripverhalen van Kuifje, wat niet iedereen zou bevallen.

De tijd verstreek, Jeunet regisseerde Un Long Dimanche de Fiançailles en plots kwam Steven Spielberg weer op het toneel, de man die in de jaren 1980 al in the picture kwam als mogelijke regisseur voor een verfilming.

Latere filmprojecten met Jacques Tardi en omtrent Corto Maltese vielen eveneens in het water. Jeunet kende Corto Maltese niet eens. Bij het lezen van de albums vergewiste hij er zich van dat de verfilming te duur zou zijn. Met Tardi deelde Jeunet een passie voor de Eerste Wereldoorlog. Hij beschouwt de striptekenaar ook als iemand die het dichtst bij hem staat. Ze hebben elkaar vele keren gesproken. Maar tegenwoordig is de relatie bekoeld omdat Tardi Jeunet verwijt dat hij decors uit zijn werk stal voor Un Long Dimanche de Fiançailles... wat Jeunet trouwens ruiterlijk toegeeft. Maar Jeunet voegt er tegelijk aan toe dat hij bij het herlezen van Tardi's albums zelf wel eens opmerkt: "Ho, de smeerlap, hij gebruikte hetzelfde decor als ik op dezelfde plaats!" Beide heren werkten trouwens een tijdje samen voor Un Long Dimanche de Fiançailles. Tardi gedroeg zich volgens Jeunet koppig en vervelend. Bij het bekijken van een maquette van een te gebruiken Renault-tank beweerde Tardi dat het niet om het juiste model ging. Jeunet is dol op Tardi, maar een samenwerking zag hij ineens minder zitten omdat hij het de filmmakers te lastig zou maken.

Ook wanneer er sprake was van een verfilming van Isabelle Avondrood, dook Jeunet weer op. Uiteindelijk vond hij het te dicht aanleunen bij zijn eigen oorlogsfilm (het hoofdpersonage Mathilde heeft ook wel wat weg van Isabelle) en hij liet het aanslepen. Uiteindelijk regisseerde producer Luc Besson de film zelf.

Soit, de illustraties die dit artikel opsmukken, zijn van de hand van storyboarder en designer Sylvain Despretz in opdracht van Jeunet. Voor het aanslepende project Hannibal the Conqueror, de Hannibal-verfilming van Vin Diesel tekende Despretz in 2004 enkele ontwerpen. Toen Tim Burton nog genoemd werd als regisseur van het filmproject Superman Reborn was Despretz ook van de partij. Andere samenwerkingen gebeurden met Ridley Scott voor Gladiator, opnieuw Jean-Pierre Jeunet voor Alien: Resurrection en Stanley Kubrick voor Eyes Wide Shut (meerbepaald de avond waarin de prostituees aan de bezoekers werden voorgesteld).
(Bron: Damien Perez — Casemate 76, december 2014)


I... Comme Icare en XIII
13/12
TOP
Lezer Carlo maakte ons opmerkzaam op de filmaffiche van de Franse film I... Comme Icare uit 1979, geregisseerd door Henri Verneuil met Yves Montand in de hoofdrol. Dat beeld doet elke rechtgeaarde XIII-fan van het eerste uur denken aan een iconisch geworden beeld uit de stripreeks. In deel 1, Zwarte Vrijdag, wordt XIII geconfronteerd met een beeld uit een film waarop hij te herkennen is als de schutter die president Sheridan neerschoot. Een filmstrook met een geschilderde versie sierde ook de backcover van de delen 1 tot 5.

Weet je nog dat Jean Van Hamme het idee had om de stripreeks in een fictief land te situeren dat wel doet denken aan de Verenigde Staten, maar het bij naam niet was? Pas later noemde hij het beestje dan maar bij naam. Het verhaal van I... Comme Icare lijkt ons bijgevolg ook wel interessant om de vergelijking met XIII door te trekken. In een fictief land wordt de net herkozen president neergeschoten. Henry Volney (Yves Montand), een van de vier betrokken speurders, weigert het eindonderzoek te ondertekenen en wordt opgedragen nog een laatste keer de aanslag te onderzoeken. Het dunne dossier bevat een stukje film van amper zeven seconden waarop de schutter is te zien. Tijdens zijn speurtocht en klopjacht vindt hij bewijzen die de resultaten van het onderzoek in vraag stellen. Hij zet de theorie van een aanslag door slechts één man op de helling. Maar bij elke piste vindt hij een lijk op zijn weg. Zeven mannen, twee vrouwen, negen lijken van getuigen die iets meer zagen dan de rest.



Zowel in de film als het album Zwarte Vrijdag toont het filmfragentje hoe er wordt ingezoomd op een raam waarachter de schutter staat.

Niet alleen lezer Carlo merkte de gelijkenissen op, ook schrijver en documentairemaker Guillaume Lebeau was ermee weg. Voor de 52 minuten durende documentaire La Conspiration dans la Peau, die gewijd is aan de stripreeks XIII, liet hij dertien specialisten het succes van de reeks XIII uitleggen met uitweidingen over de inspiratiebronnen en invloeden. Behalve een paar andere politieke thrillers uit de jaren 1970 kwam hij ook bij I... Comme Icare terecht. Lebeau wilde Didier Decoin, de co-scenarist van de film en literair schrijver, interviewen om de gelijkenissen tussen de film en de strip uit te spitten. Decoin vroeg bij het verzoek of ook Majoor Jones erbij zou zijn. Het ijs was gebroken en het geheel werd gereconstrueerd tot de sniper in het flatgebouw toe. Voor het tonen van een fragment wisten Lebeau en uitgeverij Dargaud dat het hen veel geld zou kosten. Gelukkig bleek de rechthebbende een grote fan van XIII te zijn. In ruil voor een originele plaat van XIII mochten er fragmenten vertoond worden zondre bijkomende betaling.



Tanguy en Laverdure door... Jean Giraud
06/12
TOP
Tanguy en Laverdure 8: Luchtpiraten is een album dat zowel in het Nederlands als het Frans wordt toegewezen aan Albert Uderzo en Jean-Michel Charlier die de luchtvaartserie samen creëerden voor het Franse stripblad Pilote. Eigenblijk was dit het verhaal te veel voor Uderzo die al een avontuur eerder wilde stoppen. Luchtpiraten veroorzaakte een kleine stoelendans en leverde gekrente ego's en ontgoochelingen op.

Uderzo werkte toen tegelijk aan de reeksen Asterix, Tanguy en Laverdure en ook nog aan Hoempa Pa voor het weekblad Kuifje. Te veel voor één man, maar uit ons vorig Weetje weten we nog dat zijn broer Marcel meer dan zomaar een handje hielp. Marcel Uderzo hielp sinds 1964 mee aan Tanguy en Laverdure voor het inkten van de pagina's van Geheime Basis (deel 7 in de reeks). Albert wilde er toen al mee ophouden. De reeks Asterix won aan succes, het realistische genre lag hem niet en hij begon last te krijgen van stijfheid in zijn hand nadat hij voor het eerst een maand vakantie nam zonder te tekenen. De kwaal maakte René Goscinny ongerust. Uderzo nam alvast zijn voorzorgen door Charlier in te lichten dat hij wenste te stoppen met Tanguy en Laverdure. Hoewel de redenen te begrijpen zijn, pikte Charlier dit niet en riep hij Uderzo toe: "Dat recht heb je niet!" De scenarist moest er zich evenwel bij neerleggen, maar eiste wel dat Uderzo een andere tekenaar zou vinden. Albert dacht meteen aan zijn broer Marcel. We schrijven de zomer van 1965 en Geheime Basis liep op zijn eind in Pilote. Zonder onderbreking vatten de Uderzo's het volgende avontuur aan: Luchtpiraten.

Albert tekende zelf de eerste twee platen van Luchtpiraten alvorens het inkten van plaat 3 ervan aan Marcel toe te vertrouwen en plaat 4 helemaal door zijn broer te laten tekenen en inkten. Charlier was niet overtuigd van het resultaat. Hij vond Marcel te jong voor het vak en vond hem niet sterk genoeg om de reeks op zijn eentje op zijn schouders te dragen. Voor plaat 5 schakelde Charlier zelf een tekenaar in die hij zeer goed kende: Jean Giraud, met wie hij net De Lange Weg naar Cochise van Blueberry maakte. Giraud stemde toe en tekende op zijn eentje onderstaande plaat 5.


Maar het resultaat beviel Giraud niet. Hij had trouwens al werk genoeg aan Blueberry die hem veel tijd kostte. Bovendien moest Jijé, zijn oude leermeester, hem al eens komen depanneren toen hij eventjes onderdook in Mexico. Giraud had een hekel aan technische tekeningen zoals militaire vliegtuigen. Plaat 5 blijft zijn enige bijdrage aan de reeks Tanguy en Laverdure. En nu? Albert Uderzo zag het probleem in en wijdde zich zonder al te veel enthousiasme aan de poltloodtekeningen van het vervolg die opnieuw door Marcel werden geïnkt.

In het eerste semester van 1966 ontmoette Albert Jijé tijdens een samenkomst van de auteurs die voor Pilote werken. Goed wetend dat Jijé heel wat tekenaars heeft opgeleid of onder zijn vleugels nam, onder wie Eddy Paape, Will, Morris, André Farnquin en Jean Giraud, vroeg Albert of hij geen geschikte tekenaar kende om Tanguy en Laverdure over te nemen. Jijés antwoord kwam snel: "Ja, ik!", tot grote verbazing en opluchting van Albert. Drie jaar tevoren koppelde Jijé al zijn poulain Giraud aan Charlier om de nieuwe western Blueberry te maken. Achteraf gezien een domme zet want hij had die kans zelf kunnen grijpen om een western te maken die uiteindelijk populairder werd dan zijn eigen western Jerry Spring. Deze keer zou hij zich niet opnieuw laten passeren en meldde zich onmiddellijk aan als tekenaar voor Tanguy en Laverdure. In die periode had Dupuis trouwens laten weten dat Jerry Spring niet goed verkocht en dat er een einde zou komen aan de albumpublicaties. Tanguy en Laverdure kwam dus meer dan welgekomen voor Jijé. Albert bezorgde hem alle documentatie, foto's en tijdschriften over vliegtuigen. Hij was er vanaf. Ook Charlier was opgetogen. Jijé werd toen door vele collega's erkend als een grote tekenaar. Charlier had Jijé zelf nooit durven voorstellen om de reeks over te nemen.

In tegenstelling tot wat veel boeken, tijdschriften en websites beweren, kwam Albert vanaf dan niet meer tussen in de verhalen van Tanguy en Laverdure. Hij wilde een oudere en meer ervaren tekenaar dan hemzelf niet voor de voeten lopen. Albert heeft dus geen potloodtekeningen meer gemaakt. Maar Jijé stond er nu wel alleen voor.

Op 6 oktober 1966 startte het verhaal Speciale Opdracht door Jijé en Charlier. Het ging de tekenaar niet goed af. Hij kende niets van vliegtuigen of de (militaire) luchtvaart. De Mirage III, een toenmalig pronkstuk van de luchtvaart, was een hele opgave en hij maakte heel wat detail- en perspectieffouten. Zelfs in correctifease, bij de albumpublicatie na de voorpublicatie in Pilote, maakte hij fouten door afwezige letters op vliegtuigen er in spiegelbeeld bij te tekenen. Bovendien had hij ook last met de personages. Hij voelde ze niet aan en vond er niets beter op dan eerder door Uderzo getekende poses en gezichten na te tekenen. Uit erkentelijkheid — of uit schaamte — liet Jijé daarom de naam van Albert Uderzo als co-tekenaar toevoegen in de hoofding van de voorpublicatie.

Gelukkig bracht een tv-serie van Tanguy en Laverdure soelaas. Jijé ontmoette de acteurs tijdens een avant-première en besliste hun trekken gaandeweg te gebruiken voor nieuwe avonturen van de stripreeks. Voor de vliegtuigen schakelde hij vanaf begin 1967 twee jonge tekenaars in die erin gespecialiseerd waren: Francis Jouet en Daniel Chauvin. Zij tekenden alle vliegtuigen in het verhaal De Zwarte Engelen.

Jijés desinteresse en nalatigheid beviel Charlier uiteraard niet. Charlier was zelf een gediplomeerd piloot die nog voor Sabena had gevlogen. Ondanks zijn legendarische diplomatie hield hij zich in privé-omstandigheden niet in. Week na week kwam Chauvin de nieuwe oogst platen bij Pilote afleveren en moest er vernietigende commentaren aanhoren in de trant van: "Dit is Jijé onwaardig! Dit is Jijé onwaardig!" Maar zolang het verhaal op gang bleef in het weekblad Pilote, was er geen vuiltje aan de lucht. Sommige lezers toonden zich ontgoocheld in het werk van Jijé, anderen hielden nog meer van de reeks. Tanguy en Laverdure groeide uit tot een van de best verkochte luchtvaartseries, was een directe concurrent voor Buck Danny (die in Robbedoes verscheen) en Dan Cooper (die in Kuifje rondlvoog) en loopt nog steeds.

Jijés debuutalbum Speciale Opdracht, verscheen als deel 10 in de reeks terwijl zijn tweede verhaal, De Zwarte Engelen, als deel 9 werd gepubliceerd. Chronologisch klopt dat dus niet. Zijn laatste album was deel 22, De Stoorzender, dat in 1982 verscheen. Hij heeft het bijgevolg langer dan Uderzo volgehouden, allen op scenario van Jean-Michel Charlier.
(Bron: Jean-Yves Brouard — dBD 89, december 2014)


Marcel Uderzo, de miskende inkter van de meeste Asterix-albums
29/11
TOP
Dan mag je nog een van de rijkste stripmakers ter wereld zijn en een verzameling Ferrari's bezitten om U tegen te zeggen, het maakt een mens daarom nog niet gelukkig. Ruzies met de familie domineren de laatste jaren berichtgevingen over Albert Uderzo, de tekenaar van Asterix. Na een reeks aanklachten en rechtzaken met zijn dochter Sylvie, over de rechten van de lucratieve reeks, is alles inmiddels in der minne geregeld en is de ruzie officieel bijgelegd. Met Sylvie ja, maar nog niet met zijn broer Marcel Uderzo. En wat blijkt? Albert heeft wel héél erg veel te danken aan zijn broer.


Onlangs klapte Marcel op een Frans stripforum uit de biecht. Hij zette enkele puntjes op de i in verband met de inkting van de Asterix-albums. Naar eigen zeggen werkte hij aan zestien albums mee, en lang niet van de minste. Je ziet de covers van alle albums die hij inktte in dit artikel afgebeeld. Meer zelfs, een van de prenten waarom Albert het meest bewonderd wordt, is compleet het werk van Marcel. Lees snel verder.


Nadat hij twintig jaar had gewerkt in het familiebedrijfje van zijn vader als gitaarbouwer, wilde Marcel ermee ophouden. Hij uitte zijn wens om met zijn broer te werken. Terwijl hij nog halftijds werkte voor zijn vader oefende hij een jaar lang op eigen houtje technieken om Albert te kunnen helpen. Hij kon beginnen met het inkten van drie albums van Tanguy en Laverdure en enkele platen van Asterix. Deze laatste won aan belang bij het publiek waarop Albert zijn broer verzocht enkel nog Asterix-albums te inkten. Marcel verzorgde ook de lettering en de inkleuring en tekende zelf illustraties voor merchandising zoals leesboekjes, mosterdglazen, enzovoort. Ondertussen ging het familiebedrijfje van zijn vader op de fles en kon Marcel zich sowieso ten volle toeleggen op het helpen van zijn broer.


Zijn eerste inktwerk presteerde hij voor Asterix en Cleopatra in 1965. De hnd- en spandiensten duurden tot De Lauwerkrans van Caesar. Na een pauze van twee jaar (tussen 1972 en 1974) hervatte hij zijn inktwerk vanaf De Grote Oversteek. Zijn laatste album was Asterix en de Belgen. Het befaamde banket op de voorlaatste pagina, dat gebaseerd is op het schilderij Boerenbruiloft van Pieter Brueghel, maakte hij op zijn eentje, zonder tussenkomst van Albert. Het kostte hem een dag om de hele prent te tekenen en te schilderen. In totaal hielp hij mee aan zestien albums, goed voor honderden platen. Hij klopt zich op de borst door te wijzen op de verhoogde frequentie van twee albums per jaar in plaats van één zoals in het begin. Dat kwam uitgeverij Dargaud goed uit. Albert heeft zijn broer nooit bedankt met het schenken van een originele plaat terwijl anderen wel werden beloond met een plaat.



Ook voor het allereerste Asterix-album sprong Marcel bij. Plaat 35 ging verloren of werd gestolen (dat laat Marcel in het midden). René Goscinny vroeg hem of hij de plaat kon hertekenen want de drukker bediende zich van een gedrukte pagina die uiteindelijk lichtjes te vaag was om te kunnen gebruiken. Aan de oorspronkelijke, Franse lettering kan je aan de dikte van de letters zien dat het nieuw werk is. Achteraf werd de lettering geharmoniseerd voor latere drukken. Albert was met Goscinny overeengekomen om zijn broer zoveel mogelijk te verzwijgen. Diverse advocaten meenden dat de reden hiervoor wellicht angst was. Angst voor de dag waarop Marcel om auteursrechten zou komen vragen. Maar dat kwam indertijd niet bij Marcel op. Hij wilde gewoon het vak leren en telkens beter doen. Hij zou het wel op prijs gesteld hebben als de twee auteurs, wiens werk hij bewonderde, zijn eigen werk zouden erkend hebben.


De samenwerking bleef niet duren. Marcel wilde op eigen benen staan en dat kon Albert niet verdragen. Hij heeft het Marcel nooit vergeven. Niet dat Marcel achteraf doorbrak als striptekenaar trouwens. Sindsdien zien de broers elkaar niet meer, behalve op begrafenissen van familieleden. Dan kan er nog een groet vanaf.

Marcel ziet Aberts dochter Sylvie bij gelegenheid. Sinds ze in onmin leefde met haar ouders, had ze integendeel een goed contact met haar oom. Veel contacten met naaste familie heeft Marcel niet meer, behalve met zijn zus Rina... met wie Albert ook niet meer kan opschieten.


Interview met Jeroen De Coninck
naar aanleiding van nooit vertaalde prequel
van De Fluit met Zes Smurfen
22/11
TOP
In oktober 2008 verscheen het speciale album Les Schtroumpfeurs de Flûte bij Le Lombard in een eenmalige oplage van vijftigduizend exemplaren. Dit verjaardagsalbum herdacht de vijftigste verjaardag van de Johan en Pirrewiet-klassieker De Fluit met Zes Smurfen en bijgevolg een halve eeuw De Smurfen. Het album is een prequel op het Johan en Pirrewiet-verhaal waarin beide middeleeuwse helden van Peyo ook in voorkomen, in feite voor het laatst. Het eigenlijke stripverhaal telt 28 pagina's en vertelt waarom de Smurfen die toverfluit maakten en hoe ze de fluit weer op het spoor kwamen nadat die in handen kwam van de koopman die het kasteel waar Johan en Pirrewiet huizen komt bezoeken. Een geïllustreerde cursus om zonder veel moeite het Smurfs te leren, is een bonus om het album dikker te maken.

Het scenario kwam van Thierry Culliford en Luc Parthoens en werd getekend door Vlaming Jeroen De Coninck. Indertijd gingen we ervanuit dat het ook wel in vertaling zou verschijnen, maar na de verhuis van de reeks De Smurfen van Le Lombard naar Standaard Uitgeverij bleek dat geen optie te zijn. Ook in het Frans bleef het bij deze ene editie. Het album is nooit herdrukt en haalt inmiddels prijzen die tot maar liefst véértig maal hoger liggen dan de oorspronkelijke prijs. Er verscheen wel een vertaling in het Duits.

In afwachting van de verschijning van het album interviewden we Jeroen De Coninck in 2008 over zijn carrière en het dan nog te verschijnen, speciale album. De verwachte vertaling verscheen dus nooit, het interview publiceren we hieronder voor het eerst. Hiernaast staat een niet gebruikte coverillustratie afgebeeld.


Dag Jeroen, ik vermoed dat jouw naam bij onze lezers niet veel belletjes zal doen rinkelen. Misschien kennen ze jou wel van de kortverhalen die je voor Standaard Uitgeverij maakte of van je debuutalbum De Ark van Noë uit 1984. Hoe ben je als Vlaming bij De Smurfen terechtgekomen?
Jeroen De Coninck: "In een advertentie in Imago van het Centrum voor het Belgisch Beeldverhaal vroeg Cartoon Creation een tekenaar voor De Smurfen. Ik ben toen daarheen getrokken (toen was de studio nog in Brussel) met een aantal tekeningen. Van de veertig kandidaturen werd enkel de mijne weerhouden (ondanks mijn zware handicap: mijn Frans was beneden alle peil!)."

Je hebt zelfs nog op vraag van Bob De Moor gewerkt voor het tijdschrift Jet. Hoe ging dat te werk?
De Coninck: "In oktober 1989 stuurde ik een kortverhaal van dertien platen naar Kuifje. In november 1989 werd ik uitgenodigd door Bob De Moor, die mijn werk wel goed vond en voorstelde een verhaal van zes platen te tekenen, dat hij dan zou publiceren in het tijdschrift Jet. Het verhaal zou klaar moeten zijn tegen ein
d december van dat jaar. Ik bedankte vriendelijk maar zo'n deadline was voor mij onmogelijk, daar ik in het bedrijf waar ik toen werkte (gespecialiseerd in publiciteitsbladen) bijna nooit voor 22 uur naar huis kon komen. Jammer maar helaas... Op 27 december kreeg mijn echtgenote telefoon van de uitgeverij met de vraag waar de tekeningen blijven. Ze legde uit dat het om een misverstand gaat, maar dat ik nog wel enkele korte verhalen (een van vier en een van acht platen) heb. Mijn echtgenote bracht ze stante pede naar Brussel en de uitgeverij koos voor het verhaal van acht platen. Er werd gevraagd een biografie en foto op te sturen. De biografie werd vertaald naar het Frans en later van het Frans naar het Nederlands (!), wat een zeer eigenaardige tekst geeft in het Nederlandstalige nummer van Jet (nummer 3 van maart 1990)."

Woon je nog steeds in Gent?
De Coninck: "Ik ben geboren en enkele jaren getogen in Gent. Via enkele omwegen woon ik sinds 1990 in Zele."

De jaren 1990 en daarna he je vooral anoniem meegewerkt aan De Smurfen. Wat betekent het voor jou om nu je naam te zien staan in de Smurfen-albums?
De Coninck: "Dit is niet helemaal correct: in de eerste drie jaargangen van het Smurfen-magazine (Franstalige editie) staan de namen van de medewerkers in het colofon. Na de dood van Peyo in december 1992 hebben we zelf beslist onze naam niet in de albums met ééngagplaten te zetten (Smurfenstreken 1, 2, 3 en 4). We vonden het nogal veel om zes tekenaars te citeren voor één enkel album. Komt daar nog bij dat niemand er iets aan heeft als men ook niet zegt welke plaat van wie is. Voor Alles Gaat Vanzelf, De Reportersmurf en De Goksmurf heb ik vervolgens niet enkel de covers getekend, maar ook nog achtergronden en dieren."

Werk je in studioverband of maken de verschillende tekenaars hun strips thuis? Hoe is het om te werken in teamverband? Hoeveel medewerkers telt het tekenaarsbestand van studio Peyo?
De Coninck: "Op dit moment (in 2008, red.) werken we met drie tekenaars (Pascal Garray, Ludo Borecki en ikzelf) en twee scenaristen (Miguel Diaz en Luc Parthoens). Elke tekenaar werkt zijn verhaal af van begin tot einde. Tenzij hij in tijdnood komt, dan wordt er door een collega bijgesprongen. In dit geval wordt ervoor gezorgd dat de twee naast elkaar liggende platen van dezelfde tekenaar zijn. Er wordt zowel in de studio als thuis aan gewerkt. Het voordeel van in de studio te werken is dat er bij een probleem er met de collega's kan overlegd worden."

Was je als kind al een fan van De Smurfen? Had je ooit gedacht dat je nog Smurfen zou tekenen?
De Coninck: "De hype van De Smurfen in de jaren 1980 is volledig aan mij voorbijgegaan, vooral omdat ik er toen al te oud voor was. Toen ik als twaalfjarige De Rode Taxi's van Steven Sterk las, een sterk verhaal en prachtig getekend, was ik heel erg onder de indruk. Zoiets had ik nog nooit gezien."

Heb je Peyo ooit zelf ontmoet?
De Coninck: "Ik ben in mei 1991 begonnen bij Studio Peyo. Peyo kwam toen bijna dagelijks over de vloer. Hij nam geregeld onze tekeningen mee naar huis om correcties aan te brengen. Soms veranderde hij volledig de bladschikking. Deze veranderingen waren inderdaad een effectieve verbetering van het verhaal!"

Er bestaat het misverstand dat een Smurf makkelijk te tekenen is omdat hij er zo simpel uitziet. Kan je aan onze lezers eens uitleggen dat niets minder waar is.
De Coninck: "Dat is inderdaad een veel voorkomende misvatting. Het beste bewijs hiervoor is dat sommige tekenaars, zoals André Franquin en François Walthéry (toch niet de minsten), het zelf moeilijk hadden om deze kleine wezentjes op papier te zetten. Precies omdat de Smurfen zo eenvoudig lijken, valt de minste afwijking heel erg op. Alle verhoudingen moeten kloppen."

Wat vind je het leukst aan het tekenen van Smurfen en wat is het moeilijkst?
De Coninck: "Ik vind Smurfen het gemakkelijkst te tekenen als ze heel expressief zijn, zowel in bewegingen als in mimiek. Het moeilijkste vind ik ze om te tekenen als ze enkel als figurant fungeren: als je bijvoorbeeld drie Smurfen op de achtergrond hebt, kan je ze niet alle drie identiek maken. Je moet ze evengoed elk de juiste interactie geven. Hoe meer Smurfen, hoe moeilijker natuurlijk."

Welke is jouw favoriete Smurf, al of niet om te tekenen? En welke niet?
De Coninck: "Mijn favoriete Smurf is de Grote Smurf. Mijn minste voorkeur gaat naar de Moppersmurf (ik kan mij er moeilijk mee identificeren)."

Heb je inspraak in het scenario of lever je eigen ideeën?
De Coninck: "Als tekenaar heb je niet alleen het recht, maar ook de plicht de scenarist te wijzen op mogelijke onvolkomenheden in het scenario. Dagelijks is er contact met de scenarist en alles wordt grondig besproken. In wezen wordt er weinig aan het verhaal gewijzigd. Het gaat hem vooral over details die ertoe bijdragen het verhaal zo duidelijk mogelijk te vertellen."

En wat voor de strookjes en gags?
De Coninck: "Voor de meeste gags en strookjes kreeg ik scenario's. Soms enkel een idee, dat ik dan verder uitwerkte. Een tiental gags schreef ik zelf, ook voor Poesie schreef ik er enkele. Het is echter niet echt mijn ding, het vraagt me te veel tijd."

Hoeveel Smurfen zijn er nu eigenlijk? Er zijn er in de loop van de jaren bijgekomen waardoor iedereen de tel is kwijtgeraakt terwijl men vasthoudt aan het verhaal De Honderdste Smurf.
De Coninck: "Er zijn een honderdtal Smurfen. De enige die erbij gekomen zijn Babysmurf, de Smurfin en Sassette."

Er zijn enorm veel kortverhalen en gags gemaakt voor de tijdschriften en spelletjesboeken. Worden die ooit nog verzameld voor stripalbums?
De Coninck: "Wie weet!* Enkele van die kortverhalen zijn enkel in het Frans verschenen bij Dupuis in de Collection Pirate. Waar Is Brilsmurf?, Waar Is Potige Smurf? en Waar is Babysmurf? wordt kortelings uitgegeven bij Standaard Uitgeverij. Spelletjes zijn in het Nederlands verschenen in het De Smurfen Vakantieboek en Winterboek bij uitgeverij Big Balloon."
*Inmiddels verschenen bij Le Lombard in het Frans alle strookjes in vijf delen en twee integrales. Sinds 2011 worden oudere kortverhalen thematisch gebundeld in de reeks L'Univers des Schtroumpfs. Hier verschenen al vijf albums van.

2008 is een belangrijk feestjaar voor De Smurfen. Op welke manier vier je zelf mee? Betekent dit feestjaar ook extra werk?
De Coninck: "Ik vier mee door heel hard te werken Ik werk momenteel immers aan het verjaardagsalbum van De Smurfen dat moet verschijnen in oktober 2008. Veel van de voorbereidingen van het verjaardagsfeest is natuurlijk al in 2007 gebeurd."

Kijk je met even veel nieuwsgierigheid uit naar de eerste Smurfen-tekenfilm in 3D? Komt de Belgische tekenfilm De Fluit met Zes Smurfen uit 1976 trouwens ooit nog uit op dvd?
De Coninck: "Uiteraard ben ik heel nieuwsgierig naar de eerste Smurfen-tekenfilm in 3D! Het is een project waar we al jaren mee bezig waren en waarbij ik ook meegeholpen heb aan de voorbereiding. De Belgische tekenfilm De Fluit met Zes Smurfen is enkel in Griekenland te krijgen op dvd (maar sinds 2011 ook in het Nederlands, red.)."

Wat staat er voor jou nog aan te komen bij De Smurfen? En ernaast? Heb je ook nog persoonlijke strip- of illustratieprojecten?
De Coninck: "Zoals gezegd ben ik nog een paar maanden zoet met het verjaardagsalbum. Uiteraard speel ik met de idee om zelf een strip te maken, maar dat zit echt nog in een embryonaal stadium! De Smurfen eisen nog steeds al mijn tijd op!"


Stripfiguren op politieschietstand
15/11
TOP
Begin jaren 1980 zocht hoofdinspecteur van de gerechtelijke politie Francis Dorao uit Luik doelwitten die wat realistischer waren dan waar de gerechtelijke politie op de schietstand mee oefende. Het idee was dat er met zulke doelwitten efficiënter kon opgetreden worden in de werkelijke praktijk waar er mensen van vlees en bloed rondlopen in plaats van zwarte silhouetten met concentrische cirkels op het lijf. Een preciezer schot op de menselijke anatomie behoorde dan meer tot de mogelijkheden. Bovendien moest er een duidelijker onderscheid komen tussen 'goeden' en 'slechten'.

In de streek liep het vol plaatselijk striptalent. Dorao besloot een beroep te doen op enkele van hen en vond er nog andere bereid om figuren te ontwerpen om op te schieten: Arthur Piroton, Malik, François Walthéry, Raymond Reding, Pierre Seron, Tibet, Christan Denayer, Hermann en Yves Swolfs (zie hiernaast). Hieronder vind je er nog meer. Ze dateren allen van 1984.

Dorao was gepassioneerd door zijn werk en stelde een eigen catalogus samen met doelwitten die hij overal ter wereld wist te verkopen.
(Bron: Mon blog par Vincent Rixhon — 16 juli 2012)

Pierre Seron en Malik

Raymond Reding en François Walthéry

Tibet en Arthur Piroton

Christian Denayer en Malik

Hermann


De echte La Malinche uit Quetzalcoatl
08/11
TOP
Nu het vertaalde vervolg van Jean-Yves Mittons Quetzalcoatl bij Saga Uitgaven verzekerd is, leek het ons goed om ons eens te buigen over de echte Maïana alias La Malinche. De enige andere strip waarin ze voorkomt en die we ons kunnen herinneren, is het Buths Thomas Pips-verhaal De Papegaai van Montezuma. Daarin komen Thomas en zijn vriend Lange Lo in het oude Mexico van 1519 terecht. Aan de zijde van de Spaanse veroveraar Hernan Cortés reizen ze naar Tenochtitlan, de hoofdstad van het Azteekse keizerrijk waar Montezuma de plak zwaait. Hun tolk is doña Marina die in slechts één prent voorkomt (zie hierboven).

In Quetzalcoatl gaat Maïana Xochitla door voor La Malinche. In de stripreeks tolkt ze effectief voor Cortés en deelt ze ook het bed met hem. Hoe zij precies doña Marina opzij zette, dien je te ontdekken in de strip. Maar we willen het dus even hebben over die Marina. Ook zij was Cortés' geliefde en tolk. Ze baarde zelfs een zoon, Martin. Haar echte naam was Malinalli Tenepal of Malintzin, in het Spaans verbasterd naar Marina. Ze werd in 1502 geboren in Coatzacoalcos en stierf in 1529 in Mexico-Stad. De jaartallen zijn vermoedens.



Net zoals de fictieve Maïana werd ze als slavin verhandeld door de Azteken en kwam ze bij een Maya-hoofdman terecht. Hij schonk haar in 1519 aan Hernan Cortés, samen met negentien andere vrouwen. Omdat ze meerdere inheemse talen kende en snel het Spaans oppikte, kon Cortés haar gebruiken als tolk bij zijn ontmoetingen en onderhandelingen met keizer Montezuma. Er kwam een verwarring toen de Azteken Cortés Malintzé leken te noemen, maar eigenlijk bedoelden ze daarmee zijn metgezellin Malinalli. Cortés beschouwde haar na God de belangrijkste reden voor zijn succes. Na de geboorte van hun zoon Martin vergezelde ze Cortés nog tijdens zijn expeditie in Honduras. Onderweg trouwde ze met Juan Jaramillo om daarna uit de geschiedenis te verdwijnen.

De aanspreektitel "Malintzin" betekent tegenwoordig "verraadster" want zo wordt La Malinche in veel Mexicaanse middens beschouwd. Nochtans zijn historici het erover eens dat de Spanjaarden wellicht nog destructiever te werk zouden zijn gegaan zonder de bemiddelingen van Cortés met Montezuma, verwoord door La Malinche die ook Cortés raadgeefster was. Bovendien stond Martin aan de basis van het huidige Mexicaans volk dat voor 60% uit mestiezen bestaat. Het zijn slechts een paar uiteenlopende intrpretaties van haar legendarische rol in de geschiedenis van het land. Een groot œuvre aan boeken, films, toneelstukken en diverse meer is aan haar gewijd. Een Mexicaanse schrijver bedacht zelfs de USS Malinche, een ruimteschip dat in de tv-reeks Star Trek opduikt. Neil Young vermeldde haar dan weer in zijn song Cortez The Killer. Dat weet je dan ook weer.
(Bron: Wikipedia)


Franquin op bezoek bij Disney
Ook Pixar-pionier is fan
01/11
TOP
De in Polen geboren Duits-Amerikaanse tekenaar Andreas Deja werkt sinds 1980 voor de Walt Disney Animation Studios waar hij instaat voor de vormgeving van personages in de Disney-animatiefilms. Hij bepaalde onder meer het uitzicht van Jafar (Aladdin), Scar (The Lion King), Roger Rabbit (Who Framed Roger Rabbit?), Hercules, Lilo (Lilo & Stitch) en heel wat anderen. Sinds 2011 houdt hij ook de blog Deja View bij met herinneringen aan het vroegere tekenfilmwerk. Op 5 oktober 2013 vertelde hij over het bezoek van André Franquin aan de studio toen er eind jaren 1980 sprake was van een tekenfilmserie van de Marsupilami.

Deja kende het werk van Franquin al als kind. Hij beweert dat zijn unieke tekenstijl tot de dag van vandaag ontelbare striptekenaars over heel de wereld beïnvloedt. In 1990 kreeg Deja een telefoontje van het management met de vraag of hij een artiest met de naam André Franquin kende die net een rondleiding kreeg in het gebouw. Toevallig had Deja net een Duitse editie van Zwartkijken in zijn kantoor. Franquin was verlegen, sprak zachtjes en zag er verbaasd uit dat een Disney-tekenaar zijn werk kende. Franquin signeerde graag Deja's album. Die tekening vind je hierboven. Onderstaande schetsen gaf Deja als voorbeelden uit Franquins schetsboek.













Vele jaren later noemde nog een tekenfilmmaker Franquin als voorbeeld voor hun eigen tekenfilms. Hij noemde Franquin (of tenminste zijn creatie de Marsupilami) samen met Albert Uderzo als inspiratiebron. We hebben het over John Lasseter, de pionier van Pixar. In Humo 3435 van 4 juli 2006 liet hij het volgende optekenen: "Ik ben altijd een zeer grote fan geweest van Belgische strips. Ik denk dat ik alle albums van Asterix heb (nochtans een Franse strip, red.). Ik hou ook van Kuifje en van de Marsupilami, maar Asterix is toch mijn favoriet. Uderzo is altijd een grote bron van inspiratie geweest voor Pixar. De nachtscènes in Cars zijn trouwens gebaseerd op de manier waarop Uderzo zijn personages in het donker tekende."


Het masturberende aapje
25/10
TOP
Lezers van Dokter Zwitser waren tot deel 7, Het Rare Aapje (1984), al gewoon geraakt aan de fantasie van Marc Wasterlain. Vlindermensen, planeten met elkaar bestrijdende katten, honden en gevogelte, een blauwe vos en tal van andere creatieve vondsten schudde de tekenaar uit zijn mouwen. Voor het ongemanierde aapje uit Het Rare Aapje baseerde hij zich echter op een ware gebeurtenis.

Aanvankelijk was de strip bedoeld als kortverhaal van acht pagina's dat Wasterlain al improviserend maakte. Nadat hij het project aan toenmalig Robbedoes-hoofdredacteur Philippe Vandooren toonde, lachte deze honderduit met de grappen. Het kortverhaal werd een compleet verhaal van 44 pagina's. Op de eerste pagina wordt de arm der wet geridiculiseerd wanneer het aapje zijn blote billen aan een agent toont waarop hij aanbelt bij Dokter Zwitser om hem te confronteren met de ongemanierdheid van het aapje. Zo staat het in de strip, zo gebeurde het ongeveer ook in realiteit.

Wasterlain was goed bevriend met scenarist Vicq (echte naam Antoine Raymond) met wie hij enkele strips had gemaakt, Kereltje onder andere. Vicq woonde toen met zijn moeder op het gelijkvloers van een huis. Op een dag verwelkomde hij zijn neef die uit Zaïre terugkwam na een missie die hij er als paracommando uitvoerde. De neef had een aapje meegesmokkeld en vroeg aan Vicq om hem en zijn aapje enkele dagen onderdak te verlenen. In die tijd zou de soldaat de juiste vergunningen regelen. Nauwelijk had de soldaat zich geïnstalleerd of hij werd met dringendheid opgeroepen door zijn eenheid. Het aapje bleef bij Vicq, en hij was niet erg opgezet met het gezelschap.



Het aapje, in de strip Beberke genoemd, gedroeg zich gelukkig als een huisdier en hield zich koest. Maar op een ochtend belde de wijkagent aan. Hij kwam poolshoogte nemen omdat er klachten kwamen van buurtbewoners. Twee leden van een geloofsgemeenschap die in de straat woonden en enkele dames kloegen over een beest dat zich aan het raam masturbeerde terwijl er voetgangers passeerden. De agent wilde het aapje zien. Bij het naar binnen komen, werd het aapje wild, greep de kepie van de agent en vluchtte op een kast om er het eigendom van de agent met zijn tanden te verscheuren. De furieuze agent eiste zijn kepie terug of hij dreigde ermee te schieten. Hij trok zijn wapen en schoot effectief. Het schot alarmeerde een vreedzaam oud vrouwtje bij de buren die de politie belde.


Dankzij de flater van de agent ging voor Vicq de spons over de in de lucht hangende beschuldiging voor het illegaal importeren van wilde dieren. Niemand weet wat er nadien met het aapje is gebeurd... noch met Vicq overigens want hij verdween op een dag ook ineens. Maar dat is een ander, triest verhaal.
(Bron: Didier Pasamonik — Docteur Poche: L'Intégrale 3, Dupuis, 2012)


Mazels Marsupilami-uitstapje bij Disney
18/10
TOP
Tekenaar Mazel is lang niet de enige bewonderaar van André Franquin, maar lang niet iedereen had de eer en het genoegen met de meester samen te kunnen werken. In 2010 tekende hij bovenstaande hommagetekening van Franquin omringd door zijn personages. Eentje ervan had Mazel al langer in de vingers zitten: de Marsupilami!

Nadat Jean-Claude Fournier met de reeks Robbedoes en Kwabbernoot stopte, kwam er een woelige periode in het weekblad Robbedoes waarbij Robbedoes-verhalen van Nic Broca en Raoul Cauvin, Tome en Janry en Yves Chaland elkaar afwisselden. Net voor deze doorstart sloeg Jean Roba (Bollie en Billie) het aanbod af om de stripreeks verder te tekenen. Roba was een tijd lang de assistent van Franquin wat van hem een ideale kandidaat maakte. In dezelfde periode werden ook Didier Conrad en Yann, Paul Deliège (Jaap) en Stéphane Colman (Billy the Cat, huidig scenarist van Marsupilami) gepolst. Deze laatste leverde een prachtplaat af, maar hij tekende bijzonder traag. Volgens Yann zou het zes jaar geduurd hebben om een album te tekenen, maar het zou wel magnifiek geweest zijn. Tot voor kort was het niet geweten dat ook Mazel in de running was als tekenaar van Robbedoes en Kwabbernoot. De opdracht bestond erin de reeks te moderniseren en nieuwe personages te bedenken.

Mazel moest om meerdere redenen het aanbod afslaan. Ten eerste zou hij zijn lopende productie moeten onderbreken of opgeven om exclusief aan Robbedoes en Kwabbernoot te kunnen werken. Een telefoontje met Franquin leerde Mazel dat het overnemen van andermans serie zwaar was omte dragen en hij kon het weten! Mazel kreeg de raad om zijn toenmalige reeksen niet te laten vallen. Bovendien vond Franquin zelf dat Tome en Janry de meest geschikte kandidaten waren. Aan hen wilde hij zijn eigen creaties, zoals de graaf van Rommelgem en IJzerlijm, overdragen. Tegenwoordig verbijt Mazel af en toe wel eens zijn spijt. "Mocht ik ja gezegd hebben, was ik vandaag misschien rijker en was het leven makkelijker, maar goed, het is nu zo. Spijt dient tot niets. Ondanks alles kon ik mijn eigen series vervolgen, zoals Cara en Calebas..."



Toch zouden Franquins creaties nog het pad kruisen van Mazel. Eind jaren 1980 had de tekenaar tijd op overschot. De laatste verhalen van Verloren Jungle verschenen in het weekblad en er was nog geen sprake van een reanimatie van Cara en Calebas als De Musketiers. Hij stelde zijn diensten op een vrijdag voor aan de Belgische poot van Disney dat gespecialiseerd was in merchandising. Daar moest hij wel een test afleggen: illustraties voor twee puzzels... tegen maandag. Hij slaagde in zijn proef en tekende vervolgens vier jaar lang Mickey en Minnie Mouse, Donald Duck, Roger Rabbit (zonder Jessica evenwel want hij slaagde er nooit in haar zoals het origineel te tekenen) en anderen. Het Disney-avontuur duurde tot Didier Vanneste het roer van zijn vader André als directeur overnam en tabula rasa maakte van alles wat zijn vader bewerkstelligde.



Intussen was er al een contract getekend tussen Franquin en de Amerikaanse Disney-afdeling Walt Disney Television Animation in Burbank, Californië, voor een animatieserie van de Marsupilami. Maar de Amerikanen snapten niets van het dier: niets van zijn fysionomie, niets van zijn eigenschappen. De staart werd ingekort omdat het te moeilijk was om te animeren en het aantal vlekken werd om dezelfde redenen verminderd. Ze begrepen ook niet dat het dier van het ene moment in een charmant, liefdevol wezen kon veranderen in een razende furie. Voor de Amerikanen moest het het ene of het andere worden, niet allebei, en ze maakten er een braaf, babbelziek schepsel van. In opdracht van Disney — en niet van Franquin — tekende Mazel een viertal pagina's om het persoinage te introduceren en sommige andere testen te corrigeren. Mazel sprak er wel over met Batem, die net was begonnen aan de stripreeks Marsupilami.



Voor nog een andere hommage tekende Mazel onderstaande gag met de Marsupilami, Franquin en agent Vondelaar uit Guust die in de laatste twee prenten ook opduikt.



Onderstaande Disney-schetsen maakte Mazel trouwens naar de kortfilm The Prince and the Pauper uit 1990 waar Nederlander Daan Jippes aan heeft meegewerkt. Over Jippes en Disney en ook nog over een bezoek van Franquin aan de Disney-studio in Burbank hebben we het in een volgende update.
(Bron: Patrick Gaumer — Caline & Calebasse: L'Intégrale 3, Dupuis, september 2014)



Negen tekenaars
voor laatste Corentin-verhaal
11/10
TOP
Eind september 2014 kondigden we aan dat er in 2015 een nieuw album van Corentin verschijnt. Hiervoor bewerkt voormalig Alex-tekenaar Christophe Simon een leesverhaal van Jean Van Hamme dat in Kuifje Pocket 11 uit 1973 verscheen. Als we er een andere bewerking op naslaan, zal Simon zijn versie moeten rekken want Yves Duval klaarde de klus al in 1983 voor een zestien pagina's tellende hommage aan de in 1978 overleden Corentin-bedenker Paul Cuvelier. Dit stripverhaal verscheen enkel in het weekblad Kuifje en was getekend door achtereenvolgens Magda, Vink, Crisse, Michel Pierret, Christian Gine, Gilles Chaillet, Didier Convard, Michel Weyland en Ferry die elk één of twee pagina's voor hun rekening namen. Hun samenwerking, De Drie Parels van Sa-Skyia, kan je nu integraal als pdf downloaden. Klik op de afbeelding hierboven of hier.
(Met dank aan Peter D'Herdt voor de scans)


Bob De Moors tegenprestatie
voor Willy Vandersteens traktatie
04/10
TOP
De in het boek Vlaamse Reuzen gebundelde Stripgids-interviews met Vlaamse striptekenaars leveren een schat aan anekdotes op. Zo dist Merho, voormalig studiotekenaar bij Studio Vandersteen, een verhaal op over een cover van Tijl Uilenspiegel, Willy Vandersteens klassieker die hij voor het weekblad Kuifje maakte. Nevenstaande Kuifje-cover van 8 januari 1953 werd namelijk geïnkt door Bob De Moor. Merho: "De Moor en Vandersteen waren op kerstdag samen op zwier geweest, en Vandersteen — die toen al was doorgebroken — had alles betaald. Als tegenprestatie vroeg Vandersteen dat Bob De Moor de cover, die de volgende dag klaar moest zijn, in inkt zou zetten. En dat heeft Bob toen, zonder morren en waarschijnlijk met een zware kater, ook gedaan."

Vandersteen en De Moor waren beste maatjes. De Moor was zelfs peter van Vandersteens zoon. Er circuleren heel wat verhalen over hun beider escapades in de jaren 1950 in Antwerpen waarvan er enkele straffe in een andere publicatie staan opgetekend: Ronald Grosseys boek over Studio Vandersteen. Hec Leemans merkte in hetzelfde Stripgids-interview met Merho het volgende op: "Ze deden alles toen er niks mocht. En nu mag alles en wij doen niks".

Door het succes van De Opstand der Geuzen, het eerste verhaal van Tijl Uilenspiegel, vroeg Kuifje-uitgever Raymond Leblanc een vervolg. Dat werd Fort Oranje dat in 1953 begon. Het was moeilijk te combineren met zijn andere productie: dagelijks Suske en Wiske voor de krant en daarbovenop nog eens wekelijks voor Kuifje. Vandersteen vroeg hulp aan Bob De Moor en ook aan Tibet (Rik Ringers) voor het inkten van zijn potloodtekeningen en het uitwerken van de decors. Her en der wordt beweerd dat Karel Verschuere eveneens de hand had in Fort Oranje, maar die zekerheid is onderuit gehaald door Grosseys boek dat Verschuere niet aan Tijl Uilenspiegel bindt. Wie uiteindelijk wat deed, valt amper te achterhalen. De Engelstalige Bob De Moor-site beweert eveneens met zekerheid dat Bob De Moor de Kuifje-cover voor de voorpublicatie van Fort Oranje voor zijn rekening nam. De latere albumcover uit 1955 (zie hieronder) was daarentegen volledig het werk van Vandersteen.


Hier houdt het niet bij op. 38 jaar na het inkten van de Kuifje-cover voor Tijl Uilenspiegel: Fort Oranje tekende Bob De Moor ook nog eens de albumcover van Tijl Uilenspiegel: Opstand der Geuzen.



In 1991 wilde Standaard Uitgeverij beide albums van Tijl Uilenspiegel heruitgeven. Helaas waren de pagina's 39 en 40 en ook het artwork voor de cover van deel 1 verloren gegaan. Studio Vandersteen vond er niets van terug en Willy Vandeersteen was al in 1990 overleden. Bob De Moor werd daarom ingeschakeld om de pagina's en de cover (zie hierboven) te hertekenen. Hij voerde terstond wat correcties uit in prent 2 en 5 van pagina 40. Voor de rest bleef hij trouw aan de eerder gedrukte voorbeelden. Alleen een geoefend oog herkent De Moors inbreng. Voor een herpublicatie van het verhaal in Kuifje werd eveneens Bob De Moors nieuwe coverillustratie gebruikt (zie hieronder).



Vergelijk gerust met de oorspronkelijke albumcover uit 1954 hieronder.


Willy Vandersteen was eind jaren 1980 trouwens van plan om nog meer albums van Tijl Uilenspiegel te tekenen. Ook hier weet Merho het fijne van: "Vandersteen was de laatste zes maanden van zijn leven zwaar ziek. Hij lag in het ziekenhuis, maar in het weekend werd hij niet behandeld en kwam hij naar huis. Hij trok zich dan terug in zijn bureau, waar hij, na De Geuzen, nog aan een nieuwe reeks wou beginnen. Er was sprake van om de Tijl Uilenspiegel-albums opnieuw uit te geven. Maar er waren maar twee albums en dat vond hij toch wat weing. 'Ik heb nog tijd over', zei hij 'ik zal nog wel iets doen.' En hij was potverdoie doodziek."
(Bronnen: Jan Smet / Toon Horsten — Vlaamse Reuzen, Uitgeverij Vrijdag, september 2014 // www.bobdemoor.info)


Fanfilm en muziekclip De Rode Ridder
27/09
TOP
Op 24 september laatstleden zette Filip Hellemans bovenstaande, persoonlijke fanfilm van De Rode Ridder online waarin hij zelf de hoofdrol vertolkt. De voorbereidingen startten in 2010 en het kostte hem drie jaar voorbereidingen en drie draaidagen verspreid over twee jaar. Het verzamelen van middeleeuwse attributen en kledij en het afstemmen van de agenda's van de vier acteurs bemoeilijkten de opnames. "Het is geen Hollywoodspektakel", zo vergoelijkt Hellemans het resultaat, maar alle sympathie voor deze fanfilm die hij financierde uit eigen zak.



Behalve Johan zien we ook nog Demoniah die een hinderlaag voor hem spande en twee rabauwen. De ruigste van de twee is Martin Hofman, jarenlang een grote bezieler van diverse websites over De Rode Ridder en een goeie vriend van de overleden Karel Biddeloo. Hij leverde het idee voor Biddeloos verhaal Olavinlinna (deel 195). Je kan hem ook herkennen als het personage Martin in De Vedelaar van Sint-Pauwels (deel 220).

Enkele jaren geleden liep er trouwens iemand met concrete plannen rond voor een daadwerkelijke verfilming van De Rode Ridder. Al zijn ambities werden afgeketst door Standaard Uitgeverij die duidelijk niet wilde meewerken.

Wat nog het dichtst een film benaderde, was een muziekclip die in 1984 door de toenmalige BRT werd uitgezonden. Bart Peeters vertolkte Johan, de gevechtsscènes werden door zijn jongere broer Stijn uitgevoerd. Met de muziek noch de zang had Bart Peeters iets te maken. Joseph Aldenzee was verantwoordelijk voor de tekst en de muziek, zong het lied en speelde gitaar. Het liedje werd oorspronkelijk uitgebracht als flexidisc als gratis presentje bij De Overlevenden (deel 108). Deze flexidisc kwam ook in een Franse uitvoering. Daarnaast werd er een single uitgebracht waarvoor Karel Biddeloo onderstaand hoesje tekende. Bij de schrijvers van het lied staan Deckmijn/Dortmunder vermeld maar dat waren fictieve namen om auteursrechtenorganisatie SABAM te ontwijken. Andere muzikanten waren Pip van Steen (picolo en dwarsfluit), Marius Kwaks (toetsen en piano), Hans Peeters (bas) en Karel Koepier (percussie).
(Bron: Het Verzameloord)



Manara did it again
20/09
TOP
In november lanceert Marvel een nieuwe reeks van Spider-Woman door Greg Land en Dennis Hopeless. In afwachting lanceerde de uitgeverij alvast een variantcover die Milo Manara tekende. Er volgde prompt een golf van kritiek. Enerzijds werd hem de te seksistische pose verweten en anderzijds zijn anatomische miskleun. Voor een spandexpakje volgt haar outfit wel héél nauw de curves van haar lichaam. Sommigen stipten aan dat het gewoon een gebodypaint naakt vrouwenlichaam is.

Manara liet het zich niet aan de reet roesten. Geïnterpelleerd over zijn dichterlijke vrijheid beroepte Manara zich op zijn veertig jaar ervaring, maar was niet te beroerd om toe te geven dat ook hij fouten kon maken. Toch leverde hij onderstaande illustratie om de keuze voor zijn standje te verantwoorden.



Ondanks Manara's bovenstaande uitleg, toog er iemand aan het werk om een lichaam in 3D te renderen en naar Manara's illustratie te plooien. De onmogelijkheid ervan werd nogmaals aangeduid, zie hieronder. Greg Land, de tekenaar van de eigenlijke Spider-Woman-strip is er trouwens voor gekend dat hij zich wel eens van pornomateriaal bedient om posities na te tekenen. In elk geval genereerde de heisa inmiddels zodanig veel onbetaalbare aandacht dat de ass kickende lancering van Spider-Woman alvast met een schop onder de kont is begonnen.



Nochtans keerde Marvel op hun stappen terug door twee andere geplande variantcovers door Manara te annuleren. Onderstaande cover voor Thor 2 en een andere voor Avengers and X-Men: AXIS 1 gaan niet door. Er werd aan andere tekenaars gevraagd een variantcover te tekenen.



De Belgische strip in de muziekgeschiedenis
06/09
TOP
In Humo loopt al vele maanden de reeks Humo's Belpop Woordenboek met wekelijks een thematisch overzichtje van feiten, begrippen en anekdotes uit de Belgische muziekgeschiedenis. Op 12 augustus kwam de S van 'Strips' voorbij waarin de inbreng van Belgische strips of stripauteurs in muziek wordt opgelijst. Je ziet het hierboven afgebeeld.


Het onopgehelderde FBI-dossier
over Dan Cooper
30/08
TOP
De in 2011 overleden Belgische striptekenaar Albert Weinberg had er al een interessante carrière opzitten bij Victor Hubinon, Will, Hergé, Edgar-Pierre Jacobs en Paul Cuvelier voordat hij furore maakte met de avonturen van de Canadese piloot Dan Cooper. Diens roem oversteeg de fantasie en gaf aanleiding tot een van de meest roemruchte vliegtuigkapingen uit de vorige eeuw... tevens de enige geslaagde vliegtuigkaping vóór 9/11.

Loopbaan start bij Buck Danny
Albert Weinberg werd geboren op 9 april 1922 in Luik. Zijn familie kwam oorspronkelijk uit Duitsland en Luxemburg. Hij studeerde rechten en had een carrière als internationaal jurist in het vooruitzicht, maar de Tweede Wereldoorlog stak daar een stokje voor. Na de oorlog begon hij te tekenen, in 1947 voor Robbedoes en Le Moustique (een weekblad vergelijkbaar met het oude Humoradio). Zijn ouders zagen met lede ogen aan dat hij tekende. Dankzij ontmoetingen met Buck Danny-auteurs Victor Hubinon, Jean-Michel Charlier en Georges Troisfontaines verhuisde hij naar Brussel met wie hij hij een tijdlang samenhokte in een huis. Troisfontaines stond aan het hoofd van World Press en leverde strips aan vooral Dupuis. Hij zette Weinberg in op de serie Buck Danny en Tarawa, het Bloedige Atol waarvoor hij nevenfiguren en decors tekende als assistent van Hubinon. De samenwerking was ook van tel voor Hubinons kortstondige overname van Jijés Blondie en Blinkie. Voor het stripblad Bimbo voltooide hij solo een verhaal van Tiger Joe dat al was begonnen door Hubinon.

Samenwerken met Hergé, Jacobs, Cuvelier en Will
Bij Robbedoes en Kuifje sloot de aimabele man vriendschap met André Franquin, Raymond Macherot en Will voor wie hij Het Mysterie van de Bambochal schreef dat in 2009 in album verscheen in de Collectie Fenix van Brabant Strip. Voor het stripblad Héroïc-Album maakte hij de avonturenserie Luc Condor dat in vertaling ook in het blad Signaal verscheen. Van deze archeoloog verschenen een vijftigtal kortverhalen van een dozijn pagina's. Voor hetzelfde blad tekende hij Roc Meteor, zes sf-verhalen van een tiental pagina's in de trant van Flash Gordon. Hergé merkte de technologische begaafdheid op en vroeg 'm om mee te werken aan het scenario van het technisch uitdagende Kuifje-verhaal Mannen op de Maan. Weinberg bedacht het personage Wolf. Dat leidde ook naar wat tekenassistentie voor Edgar-Pierre Jacobs aan diens Het Geheim van de Grote Piramide, vooral in de scènes die zich afspelen in het museum van Caïro. Dat hij ook het scenario scheef voor Corentin bij de Roodhuiden van Paul Cuvelier is eveneens een niet tot zelden vermelde bijdrage aan een topauteur uit deze periode.

Het grote eigen succes met Dan Cooper
Hoe dan ook lag voor hem de weg open naar eigen creaties. Net zoals elke beginnende realistische tekenaar doorliep hij vanaf 1950 een leerproces door losse illustraties en waargebeurde verhalen te tekenen voor het weekblad Kuifje (als tegenwicht voor Oom Wim uit Robbedoes). Zijn uitgever Raymond Leblanc en toenmalig hoofdredacteur André Fernez stuwden 'm in de richting van een luchtvaartstrip om de concurrentie aan te gaan met Buck Danny. Dat werd de Canadese piloot Dan Cooper. In de eerste verhalen kenden de verhalen nog een grote sf-inslag met ruimtebasissen en zo. In 1954 rolde een eerste album van de band: De Blauwe Driehoek. Omdat Weinberg zich met de technologische hoogstandjes vast schreef, kwam Charlier 'm uit de nood helpen met meer realistische scenario's tussen 1959 en 1961 voor de albums Duel in de Wolken, Het Waagstuk en Het Escadrille van de Jaguars. In 1959 startte Charlier weer een nieuwe luchtvaartserie voor een derde stripweekblad dat in het Frans de concurrentie aanging met Robbedoes en Kuifje. Behalve Buck Danny in Robbedoes en Dan Cooper in Kuifje beslechtten Tanguy en Laverdure in Pilote vanaf dan welke de populairste luchtvaartstrip was. Ook nog voor Kuifje creëerde Weinberg in 1962 de serie Tom Landen waarvan bij stripwinkel Atlantis twee albums verschenen. In 1969 zag Vicky het licht, een spin-off van Dan Cooper die het niet langer dan zes kortverhalen uitzong.

Nieuwe reeksen
Voor we overgaan naar het smakelijke vliegtuigkapingverhaal vervolledigen we Weinbergs biografie. In 1973 kwam er nog een stripblad bij dat zich wilde meten met de grote drie Europese striptijdschriften. In verschillende landen gaf de Duitse groep Springer onder meer Zack (Duitsland), Super-As (Frankrijk) en Wham! (Nederland en Vlaanderen) uit. Albums van reeksen verschenen bij Novedi. Omdat het niet klikte met Kuifje-hoofdredacteur Greg koos Weinberg voor deze nieuwe speler waar hij een tiental jaar Dan Cooper bij onderbracht. Ondertussen creëerde hij voor andere bladen nieuwe reeksen zoals de luchtvaartstrip Aquila en de James Bond-achtige serie Giovanni di Celli voor het Italiaanse Corriere dei Ragazzi. Uit deze periode dateren ook De Aquanauten en Barracuda waarvoor Weinberg het voor de verandering eens in de diepte zocht, meerbepaald onder water met diepzeeduikers. In het Franse Pif en het Nederlandse Pep publiceerde hij in 1971 de sf-serie Knut Andersen. Zijn stripcarrière eindigde in 1992 met het laatste album van Dan Cooper en het weinig succesvolle spionageverhaal Agent Spécial.

En of het nu in de lucht hing (pun intended) of niet, na de comebacks van Buck Danny en Tanguy en Laverdure zag het ernaaruit dat ook Dan Cooper weer in het zwerk zou vliegen. Weinberg werkte namelijk aan een gloednieuw album. Het zou over gevechtsdrones gaan, de onbemande vliegtuigjes die in onder meer Irak werden ingezet en volgens de stripauteur veel piloten werkloos maakt. De laatste 25 jaar woonde Weinberg in Zwitserland bij zijn dochter. Zij oefent het beroep uit waarvoor hij zelf was voorbestemd: internationaal juriste. Van Dan Cooper verschenen tot 1992 41 albums die goed zijn voor een totale verkoop van zo'n 22 miljoen exemplaren in zeventien talen. Documentatie vergaarde Weinberg op diverse luchtmachtbasissen. Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van Dan Cooper raakte het in Canada zeer populaire, volslagen fictieve personage gepromoveerd tot majoor van het Canadese leger me teen permanente aanwezigheid in het Canadese luchtvaartmuseum. Weinberg zelf hield er als allereerste stripauteur een erediploma van de Royal Canadian Air Force aan over. Ook nog in 2004 eerde het stripfestval van Middelkerke de auteur met het Gouden Potlood, een bekroning voor zijn gehele carrière.

Dan Cooper-strips in onopgehelderd FBI-dossier
Een kleine hint van het internationale succes ontwaarde het Amerikaanse FBI in een nog steeds onopgeloste zaak. Op 24 november 1971 dreigde een zekere Dan Cooper aan boord van een Amerikaans vliegtuig alles op te blazen als hij geen losgeld van 200.000 dollar en vier parachutes kreeg. Bij een landing in Seattle kreeg de keurig geklede man wat hij wilde en liet alle 36 passagiers vrij. Met alleen nog het cabinepersoneel aan boord dwong hij koers te zetten naar Mexico. Tussen Seattle en Reno sprong hij met het geld en zijn parachutes van boord. Hij werd nooit gesnapt. Het lijkt het scenario van een strip, maar het was realiteit. In 2007 heropende het FBI een dossier waarin ook de strips van Dan Cooper onderdeel van uitmaakten. Lees hier het volledige, verbijsterende — en ook wel wat opgeklopte — verhaal met de link naar de stripreeks, bijvoorbeeld naar het album De Zaak Minos. En hier vind je een oproep van een wanhopig naar extra informatie zoekende FBI. In de laatste veertig jaar waren er meer dan duizend verdachten.

In 2013 leek het er even op dat er een doorbraak kwam. Een vrouw uit Oregon beweerde dat haar oom de bewuste kaper was. Na meer dan veertig jaar wilde Marla Cooper een oud familiegeheim opbiechten die haar oom Lynn Doyle Cooper buiten schot hield. Ze beweerde dat ze op haar achtste haar oom zwaargewond zag thuiskomen op Thanksgiving 1971, de dag na de kaping. Hij schreef de wonden toe aan een auto-ongeluk. Na de feestdag zag ze haar oom nooit meer terug. Hij stierf in 1999. Ze overhandigde de FBI een gitaarriem waar de vingerafdrukken van haar oom op stonden die konden vergeleken worden met het DNA van de kaper. Bovendien voegde ze eraan toe dat haar oom geobsedeerd was door een strippersonage met de naam Dan Cooper. Uit dit onderzoek kwam weinig concreets voor.

Dan Cooper in Mad Men?
De zaak bood op zich weer inspiratie voor tal van scrhijvers van boeken en tv-series. In Prison Break was een medegevangene van Michael Scofield niemand minder dan Cooper. In Renegade krijgt het hoofdpersonage aanwijzingen over Coopers huidige verblijfplaats en gaat naar hem op zoek. In Numb3rs mag een voormalig FBI-agent, die indertijd bij de zaak-Cooper betrokken was, opnieuw opdraven voor een onderzoek naar een mislukte overval. En in Leverage was een reconstructie van de vliegtuigkaping en het daaropvolgende politieonderzoek te zien. De sterkste verwijzing in een tv-serie is voorlopig nog een vermoeden. Voor het laatste seizoen van de successerie Mad Men is het gerucht gelanceerd dat Don Draper wel eens in staat kon zijn om een vliegtuig te kapen onder de naam Dan Cooper. De familienaam zou hij dan ontleend hebben aan zijn voormalige baas Bert Cooper terwijl er ook een verband wordt gelegd met Dons vrouw die Frans-Canadees is en in theorie vertrouwd zou kunnen zijn met Weinbergs stripreeks. In elk geval blijft de naam Dan Cooper ongetwijfeld nog lange tijd hangen. Wij houden het in een stripcontext.


Overlijdensbericht Willy Vandersteen
23/08
TOP
Onlangs vonden we in ons archief nevenstaand overlijdensbericht uit Het Nieuwsblad terug. Op 28 augustus 2014 is het 24 jaar geleden dat Willy Vandersteen overleed. Het zijn er slechts weinigen gegeven om bij overlijden zowel als echtgenoot en als "geestelijke vader" herdacht te worden.


Ton en Tineke op een rijtje
16/08
TOP
In 2015 zou er een integrale van Ton en Tineke in het Frans moeten verschijnen. Het valt te verwachten dat het wederom enkel om de gags van André Franquin gaat. Het is alleszins een zoveelste heruitgave van de gagreeks die Franquin in 1955 voor het weekblad Kuifje creëerde. Waarom hij plots bij de grote concurrent van Robbedoes opdook, kwam door een valse belofte van een financieel verantwoordelijke bij Dupuis, de uitgever van Robbedoes. Hoe Ton en Tineke begon en wat de gevolgen waren, sommen we in dit artikel voor je op.

Met Franquin onder de gelederen, had Dupuis zich van een belangrijk tekenaar verzekerd. Begin jaren 1950 was hij sowieso de belangrijkste man. Wekelijks tekende hij anderhalve pagina van de avonturen van Robbedoes en Kwabbernoot, bijkomende illustraties, voorstudies voor advertenties, enzovoort. Er werd hem schriftelijk een betere betaling voor de albumverkoop beloofd. Franquin verloor helaas dat document. Niet alleen constateerde hij later dat de belofte niet was ingelost, er werd ook in alle toonaarden ontkend dat er een belofte was gemaakt! Franquin was furieus. Hij kende een tekenaar bij Kuifje en sprak er met hem over. Deze tekenaar belde naar de redactie van Kuifje met de boodschap dat hij Franquin kon overtuigen voor hen te werken. Kwatongen beweerden achteraf dat diezelfde man zijn headhuntersdaad te gelde wilde maken.

Het kwam snel tot een afspraak met toenmalig hoofdredacteur André Fernez en Eugène Van Nijverseel, beter bekend onder zijn pseudoniem Evany, een belangijk figuur uit de entourage van Hergé. Met hen discussieerde hij over de naam van de serie die hij voor hen zou tekenen. De naam van het meisje, Pompom (Tineke, of eigenlijk Tinneke zoals ze aanvankelijk genoemd wordt), was al gekozen. Die naam amuseerde Franquin. Voor het mannelijke hoofdpersonage had hij geen idee. Evany haalde er een agenda bij en las alle voornamen op de kalender voor. Er kwam een algemeen akkoord bij Modeste (Ton).

Het karakter van Ton en Tineke werd meebepaald door het doelplubliek van Kuifje. Robbedoes werd door Fernez en Evany aanzien als een verzamelplaats van op het randje af slechte smaak, waarbij elk middel goed is om de lezer te laten lachen, hoe laag ook. Natuurlijk wilden ze dat een talent als Franquin voor hen kwam werken, maar liever niet met iets dat te kwajongensachtig of te vulgair zou zijn. Nochtans kende Robbedoes in dezer dagen een groter succes dan Kuifje. Bij Kuifje ontbrak het dan weer aan komische iconen. Hij kwam op een geschikt moment. Door deze samenloop van omstandigheden kregen Ton en Tineke een bourgeois en nette uitstraling aangemeten.

Franquin stelde zelf voor om wekelijks een gag te tekenen. Die formule kende hij nog uit de stripbladen Mickey, Robinson en Hopla die hij in zijn jeugd las. Hij dacht dat een wekelijkse gag makkelijker te bolwerken viel dan vervolgverhalen. Hij vergiste zich.

Franquin kwam slechts één keer langs op de redactie van Kuifje waar hij zich door uitgever Raymond Leblanc aan de redactieleden liet voorstellen. Dat gebeurde nogal opzichtig met de uitspraak: "Heren, ik stel u Franquin voor, het genie!" De redactieleden kregen een licht gegeneerde man te zien die zich duidelijk niet op zijn gemak voelde. Tibet was er ook bij. Hij was de benjamin en hij bewonderde net zoals zijn collega's alle tekeningen die Franquin maakte. Hij kende Franquins tekeningen nog uit het scoutsblad Plein Jeu. Dat zijn stijl navolging kreeg, liet Tibet eens aan Leblanc opmerken dat Kuifje iemand als Franquin miste. Die wens werd dus ingewilligd. Die eerste ontmoeting tussen Franquin en Leblanc werd trouwens uitgesteld door deze laatste. Er moest een andere datum gekozen worden omdat Leblancs horoscoop die dag niet gunstig bleek.

Bij Dupuis heeft Franquin tot dan nooit een contract moeten tekenen. Alles gebeurde in een vorm van gentlemen's agreement, in vertrouwen. Bij Kuifje had hij ineens een contract van vijf jaar ondertekend. Uitgever Charles Dupuis was zwaar ongelukkig door Franquins beslissing om naar de concurrentie te gaan. Hij vroeg of hij terug wilde komen om exclusief voor Robbedoes te tekenen. Franquin durfde hem aanvankelijk niet zeggen dat er al een ondertekend contract was. Volgens de versie van Leblanc zou Dupuis gehuild hebben om Franquin terug te krijgen. Vogens Dupuis zelf vertelde Franquin tijdens een etentje, waar Dupuis hem voor had uitgenodigd, hem dat hij wilde terugkomen omdat hij de sfeer bij Robbedoes beter vond dan bij Kuifje. Hoe dan ook, er kwam een overeenkomst. Franquin mocht na vier in plaats van vijf jaar beschikken, na 183 gags van Ton en Tineke. Ondertussen werkte hij dus voor zowel Kuifje als Robbedoes. De rechten op de personages Ton en Tineke kocht Leblanc van hem af voor wat Franquin later een bespottelijk bedrag vond. Leblanc betaalde Franquin gewoon twee jaar door en dat was het. Hij leidde nog zelf zijn opvolger Dino Attanasio op.

Voor de albums bij Le Lombard kwam er ook een regeling, zij het niet gemakkelijk. De uitgeverij had geleerd dat het ene succes het andere niet is. De albums van Kuifje bijvoorbeeld verkochten als zoete broodjes, maar dat ging in veel mindere mate op voor Hergés Quick en Flupke. Er was maar één besluit: albums met grappen op één of enkele pagina's marcheerden niet. Men geloofde er niet in. Het duurde een paar jaar, tot 1958 en 1959, voordat er twee albums van Ton en Tineke verschenen met een selectie van de gags in volslagen willekeurige volgorde. Franquin moest nog zelf aandringen op een derde album dat pas in 1973 verscheen. Hij stond er toen op dat Le Lombard ermee ophield om de naam van de scenarist, die Franquin op elke pagina voorzag, zomaar te wissen in de albums. De politiek van Le Lombard bestond erin om maar met één auteur af te rekenen om complicaties te vermijden.

En die schriftelijke belofte die het vertrek van Franquin bij Robbedoes veroorzaakte? Twee maanden nadat hij zich door Kuifje liet inlijven, vond hij het document terug. Het probleem regelde zichzelf.

Uit de erfenis van Ton en Tineke, die in handen van andere tekenaars verder liep tot 1988, stippen we enkele zaken aan:

• Zowel Ton als het latere nevenpersonage Felix hebben uitvindersbloed door hun aderen stromen. Let erop dat Franquin pas in 1957 Guust Flater creëerde voor het weekblad Robbedoes.

• Met een van Felix' uitnodigingen was Franquin zijn tijd vooruit. Hij vond een draadloze, elektronische afstandsbediening uit om het kanaal van de televisie te veranderen zonder er telkens naartoe te moeten lopen. In 1956 vond de Amerikaanse Robert Adler de draadloze afstandsbediening uit met ultrasoon geluid. Hij wilde er een einde aan vervelende televisiereclames mee bekomen, maar het kijkgedrag van televisiekijkers veranderde integendeel drastisch doordat ze begonnen te zappen. Pas in 1969 kwam de afstandsbediening met ultrasoon geluid op de Europese markt. Tegenwoordig gebeurt dat met infraroodsignalen. Franquin was dus al op de hoogte van het bestaan van de Amerikaanse uitvinding, maar Europeanen leerden het apparaat pas een twintigtal jaar na de aanwezigheid ervan in een gag van Ton en Tineke kennen.


• Om het zich zo gemakkelijk mogelijk te maken, wilde Franquin niet met te veel documentatie werken. Liever vond hij zelf wagens uit dan ze na te tekenen van bestaande modellen. Hij ondervond snel dat het zelf vormgeven van wagens hem net méér werk kostte.



• De drie neefjes van Felix, die meer tijd bij Ton doorbrengen dan bij Felix, waren aanvankelijk met vijf. In Franquins periode waren ze naamloos.

• Voor de scenario's kreeg Franquin hulp van collega's en occasioneel zelfs zijn schoonmoeder! Peyo schreef voor hem de allereerste gag. Greg en in mindere mate René Goscinny namen het leeuwendeel van de andere gags op zich. Ze voegden elk een irritante buurman aan het wereldje van Ton toe. Een ervan lijkt sterk op het latere nevenpersonage Van Gestel uit Guust. De samenwerking met Greg herhaalde Franquin voor avonturen van Robbedoes en Kwabbernoot. Greg had tijdens de Ton en Tineke-periode geleerd dat het beter was om Franquin telkens niet meer dan één idee voor een gag te leveren in plaats van telkens een zestal. In het laatste geval gooide Franquin er toch twee derde van weg. Hoe langer hij de ideeën liet liggen, hoe meer ze hem verveelden en ze liever niet tekende, hoewel het nog wel om goeie grappen ging waarmee Franquin aanvankelijk smakelijk kon lachen. De relatie buurman versus buurman ontwikkelde Greg later nog voor zijn eigen gagserie Olivier Blunder. Bij Goscinny merkte Franquin dat hij liever langere verhalen vertelde dan gags. Hij had telkens de neiging om de grap te stofferen met extra elementen. Asterix moest nog geboren worden.

• Ook bewonderaar Tibet leverde Franquin ideeën. Eigenlijk zocht de jongeling aanleidingen om zijn idool te bezoeken en hem zijn platen te komen tonen. De debutant had nog een en ander te leren en kwam net om de hoek piepen met Chick Bill. Om bij volgende gelegenheden niet met lege handen te komen, schreef Tibet gags voor Franquin.

• Het idee van de zogezegde vleesetende monsterplant maakte school. In zowel Guust (gag 717) als het Robbedoes en Kwabbernoot-verhaal Tembo Taboe kwam er een grote vleesetende plant voor. De Guust-gag was geschreven door Jean Van Hamme. In De Smurfen en de Krwakakrwa komt er ook zo'n levensbedreigende plant voor. Het idee voor dit verhaal kwam van... Franquin!

• Franquin hield van het personage Spaghetti door Dino Attanasio. Door het groeiende succes van Guust en de overeenkomst om het contract niet volledig uit te doen, vroeg Franquin Attanasio tijdens een receptie bij deze laatste om Ton en Tineke over te nemen. Een jaar lang verscheen Ton en Tineke in Kuifje zondar Attanasio's naam erbij. Met zijn studio maakte hij tien jaar lang in totaal 480 gags. Greg schreef er een aantal van, Lucien Meys heel wat meer en later kwam een zekere Hao (een pseudoniem van Mittéï) helpen. Ook Jean Van Hamme schreef in Attanasio's laatste jaar een tiental gags.

• Mittéï en Christian Godard namen het vanaf 1969 van Attanasio over, Foal (Pierre Seron) assiteerde Mittéï zeer regelmatig. In 1975 volgde Vlaming Griffo met scenario's van vooral Noirret. Nog geen jaar later nam Bertrand Dupont (veelal op scenario van Bob de Groot) en een enkele keer Dupa de honneurs waar. Zijn overname duurde tot 1980 waarop het duo Walli en Bom de reeks naar allerbest vermogen vervolgden tot de reeks er definitief mee ophield in 1988.

Wil men Ton en Tineke echt integraal uitgeven, dan moet er eens werk gemaakt worden van chronologische albumuitgaven van bovenstaande auteurs. Een Frans- en Nederlandstalig albumoverzicht levert alvast het volgende op:


Ton en Tin(n)eke in het Nederlands

 
Albums van André Franquin + diverse scenaristen:
• 60 Avonturen van Ton en Tinneke (Le Lombard - De Lombardcollectie, 1958)
• Ton de Pechvogel: 60 Avonturen van Ton en Tinneke (Le Lombard - De Lombardcollectie, 1959)
• 60 Avonturen van Ton en Tinneke (Le Lombard / Helmond, 1973)
• Ton de Pechvogel: 60 Avonturen van Ton en Tinneke (Le Lombard / Helmond, 1973)
• Ton en Tinneke 3: Boordevol Grappen (Le Lombard / Helmond, 1973)
  • Ton en Tinneke 1 (Le Lombard - Côte d'Or Stripalbums Collectie, 1987)
• Ton en Tinneke 2 (Le Lombard - Côte d'Or Stripalbums Collectie, 1987)
• Ton en Tineke 1: Kalm Blijven, Ton! (Loempia, 1989)
• Ton en Tineke 2: Ik Maak Me Niet Druk! (Loempia, 1989)
• Ton en Tineke 3: Kop Op, Tineke! (Loempia, 1990)
 • Ton en Tineke 4: Niet Zeuren, Ton! (Loempia, 1990)
• De Jaren Ton en Tineke door Franquin (Loempia, 1989) (luxe) = deel 1 Loempia + 24 p + stofomslag
• De Droom van een Designer (Loempia, 1989) (luxe) = deel 2-3 Loempia + 26 p + stofomslag
• Franquin het Schetsboek (Loempia, 1991) (luxe) = deel 4 Loempia + 30 p + stofomslag + schuifdoos


       
Albums van Dino Attanasio / Studio Attanasio + diverse scenaristen:
• De Avonturen van Ton en Tinneke: Ha! Ha! Ha! Ha! Ha! (Le Lombard - De Lombardcollectie, 1964)
• De Avonturen van Ton & Tinneke 1 (CentriPress, 1979)

• De Avonturen van Ton & Tinneke 2 (CentriPress, 1979)

• De Avonturen van Ton & Tinneke 3 (CentriPress, 1980)
• De Avonturen van Ton & Tinneke 4 (CentriPress, 1980)
  • De Avonturen van Ton & Tinneke 5 (CentriPress, 1981)


Albums van Walli + Bom:
• Een Avontuur van Ton en Tinneke in Walibi: Het Tamme Geheugen (Walibi Productions, 1984)
• Ton en Tinneke 1: Geinige, Gave Grappen en Grollen (Le Lombard, 1985)

• Ton en Tinneke 2: Lachen Geblazen (Le Lombard, 1986)
• Ton en Tinneke 3: De Tienkoppige Chinees (Le Lombard, 1987)
• Ton en Tinneke 4: In Goede en Vrolijke Dagen! (Le Lombard, 1987)


Modeste et Pompon in het Frans

     
Albums van André Franquin + diverse scenaristen:
• 60 Aventures de Modeste et Pompon (Le Lombard - Collection du Lombard, 1958)
• Bonjour Modeste: 60 Aventures de Modeste et Pompon (Le Lombard - Collection du Lombard, 1959)
• 60 Aventures de Modeste et Pompon (Dargaud / Le Lombard - Des Histoires du Journal Tintin, 1973)
• Bonjour Modeste: 60 Aventures de Modeste et Pompon (Dargaud / Le Lombard - Des Histoires du Journal Tintin, 1973)
• Modeste et Pompon: Tout Plein de Gags (Dargaud / Le Lombard, 1973)
• Modeste et Pompon (Glénat - BDecouvertes, 1975)
• Modeste et Pompon R1 (Magic Strip, 1980)
• Modeste et Pompon R2 (Magic Strip, 1981)
• Modeste et Pompon R3 (Magic Strip, 1983)
• Modeste et Pompon R4 (Magic Strip, 1981)
• Intégrale Franquin: Modeste et Pompon (Rombaldi, 1987)
• Modeste et Pompon 1 (Le Lombard - Les BD d'Or, 1987)
• Modeste et Pompon 2 (Le Lombard - Les BD d'Or, 1987)
• Modeste et Pompon R1: Sois Bien Calme, Modeste! (Himalaya, 1988)
• Modeste et Pompon R2: Non! Je Ne M'Énerve Pas! (Himalaya, 1989)
• Modeste et Pompon R3: Souris, Pompon! (Himalaya, 1990)
• Modeste et Pompon R4: Tais-Toi, Modeste! (Himalaya, 1990)
• Les Années Modeste et Pompon de Franquin (Magic Strip, 1989) (luxe)
• Un Rêve de Designer (Magic Strip, 1989) (luxe)
• Le Carnet de Croquis de Franquin (Magic Strip, 1991) (luxe)
• Modeste et Pompon (Le Lombard - Les Classiques du Rire, 1996)
• 60 Aventures de Modeste et Pompon (Le Lombard - Millésimes, 2006)


 
     
Albums van Dino Attanasio / Studio Attanasio + diverse scenaristen:
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon: Ha! Ha! Ha! Ha! Ha! (Dargaud, 1964)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon 1 (Magic Strip, 1980)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon 2 (Magic Strip, 1980)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon 3 (Magic Strip, 1980)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon 4 (Magic Strip, 1980)
  • Les Mésaventures de Modeste et Pompon 5 (Magic Strip, 1980)
• Modeste et Pompon R5: T'En Fais Pas, Modeste! (Himalaya, 1991)
• Modeste et Pompon R6: Pas de Panique, Pompon! (Himalaya, 1991)
• Modeste et Pompon R7: Ça Suffit, Modeste! (Himalaya, 1992)
• Modeste et Pompon R8: Mais Enfin, Modeste! (Himalaya, 1992)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon: Ha! Ha! Ha! Ha! Ha! (Loup, 1999)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon: Ha! Ha! Ha! Ha! Ha! (Loup, 1999) (luxe)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon: Plus Vite Modeste! (Loup, 2000)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon: Plus Vite Modeste! (Loup, 2000) (luxe)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon: Descends, Modeste! (Loup, 2000)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon: Descends, Modeste! (Loup, 2000) (luxe 1)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon: Descends, Modeste! (Loup, 2000) (luxe 2)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon: Et Que Ça Saute, Modeste! (Loup, 2001)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon: Et Que Ça Saute, Modeste! (Loup, 2001) (luxe)
• Modeste & Pompon (Hibou - Traits d'Humour, 2005)
• Modeste & Pompon (Hibou - Traits d'Humour, 2005) (luxe)


       
Albums van Mittéï + Christian Godard:
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon 1 (Horus, 1979)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon 2 (Horus, 1979)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon 3 (Horus, 1979)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon 4 (Horus, 1979)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon 5 (Horus, 1979)
• Les Mésaventures de Modeste et Pompon 6 (Horus, 1979)


Albums van Walli + Bom:
• Une Aventure de Modeste et Pompon à Walibi: La Mémoire Volatile (Productions Walibi, 1984)
• Modeste et Pompon 1: Fin Festin de Fines Facéties (Le Lombard - Bédé Chouette, 1985)
• Modeste et Pompon 2: Ah! Ça Rira, Ça Rira! (Le Lombard - Bédé Chouette, 1986)
• Modeste et Pompon 3: Le Chinois à Dix Têtes (Le Lombard - Bédé Chouette, 1987)
• Modeste et Pompon 4: Pour le Meilleur et Pour le Rire! (Le Lombard - Bédé Chouette, 1987)


Onvoltooid project (12): Clifton
door Alain Julié en François Corteggiani
09/08
TOP
In 2005 startte liefhebbersuitgeverij Flouzemaker met het (her)uitgeven van strips van Raymond Macherot en de publicatie van — alleen in het Frans — gloednieuwe avonturen van Snoesje door André Taymans en Minnolt door Erwin Drèze. Blijkbaar bestond er ook een project om een van Macherots andere creaties nieuw leven in te blazen: Clifton.

Flouzemaker bleek echter niet levensvatbaar en de uitgeverij werd opgedoekt. Het Clifton-project van scenarist François Corteggiani bleef dus dode letter. Voor de tekeningen zou hij in zee gaan met Alain Julié wiens werk we in vertaling kennen door de gagreeks Wielergek! die bij Ballon Comics verschijnt. Corteggiani's verhaal heette Clifton et la Momie (Clifton en de Mummie). De hierbij afgebeelde schetsen en proefplaten vind je ook terug op zijn blog, aangevuld met zijn zelfgetekende storyboards.











Het Groene Teken
02/08
TOP
In 1988 kreeg Bob De Moor het vervolg van het Blake en Mortimer-tweeluik De 3 Formules van Professor Satô als tekenaar toevertrouwd na het overlijden van Edgar P. Jacobs. Al meteen werd hij ook gevraagd voor een van de oudste publicitaire strips van de klassieke stripreeks. Voor de Franse stad Montreuil tekende hij in 1988 een kortverhaal met de titel La Marque Verte (Het Groene Teken) om de schoonmaakdienst van de stad te promoten. De campagne kwam ook met een tekenwedstrijd waarbij de beste honderd deelnemers een album van Blake en Mortimer wonnen. De winnaar mocht met zijn klagenoten naar het stripfestival van Angoulême. Johan De Moor hielp mee aan dit verhaaltje, voornamelijk voor de achtergronden. De strip verscheen als een brochure van vier pagina's op A4-formaat.
(Bron: blog La Marque Jaune, 19 oktober 2008)







Geweigerde Lucky Luke-cover
kon wel in Nederland
26/07
TOP
Volgens een anekdote waar weinig over geweten is omdat het moeilijk valt op te sporen in bronnenmateriaal nam Lucky Luke-tekenaar Morris ooit de uitdaging aan om een compleet verhaal in amper één maand te tekenen, net zolang als René Goscinny erover deed om het ganse verhaal te schrijven. Hij won. Dat gebeurde met Naijver in Painful Gulch, toevallig ook een van de beste albums in de langlopende reeks. Het verscheen in 1961 in voorpublicatie in Robbedoes.

Over de coverillustratie voor de albumpublicatie in 1962 bestaat dan weer wel concrete informatie. Yvan Delporte, de toenmalige hoofdredacteur van Robbedoes, liet Morris de albumcover drie keer hertekenen. Uit zelfcensuur om de Franse censuurcommissie niet voor het hoofd te stoten. Oorspronkelijk wilde Morris een telg van de rivaliserende clans O'Hara en O'Timmins naar elkaar laten schieten met Lucky Luke en Jolly Jumper in het vuurgevecht tussen hen in. Zoiets strookte niet met wat de Franse censuurcommissie duldde. Met het oog op de publicatie voor de jeugd keurde de commissie vooral buitenlandse strips en sloeg het wapens, bloot of kritiek op het gezag en politiek in de ban. Uit het verhaal Billy the Kid verdween voor de albumversie een scène met Billy die als baby op een revolver zuigt. Morris kreeg voor het covervoorstel van Naijver in Painful Gulch bovendien commentaar op de fles op de voorgrond. Een fles met een kurk op, dat moest wel alcohol zijn en dat was een slecht voorbeeld voor de jeugd.

Een verbod betekende dat het album niet in Frankrijk zou mogen worden verkocht, zoals met een aantal albums van Dupuis effectief gebeurde. Een streep door de rekening van de uitgeverij, al voeren winkels nabij de Belgische grens er wel bij door dergelijke verboden strips onder de toonbank te verkopen, bijvoorbeeld Sammy 8: Lijfwachten en Koning Dollar. Redacties van weekbladen en stripmakers gingen daarom liever over tot zelfcensuur voordat de commissie er zich over boog.


Maar wat in het geval van Naijver in Painful Gulch niet kon in Frankrijk, en daarom tegelijk in België, kon wel in Nederland. Voor de herpublicatie van Naijver in Painful Gulch in 1967 — onder de titel Rivalen in Painful Gulch — in het stripweekblad Pep gebruikte Morris gewoon zijn oorspronkelijke idee.

Dat brengt ons meteen bij de vele covers die Morris exclusief voor Pep schilderde. Per jaar soms tot negen toe! Lucky Luke dook in de jaargang 1965 op en was een regelmatig terugkerende vedette tot de laatste snik in 1975. In de latere jaargangen waren de covers niet meer dan uitvergrote plaatjes of close-ups. Hieronder vind je een overzicht van àlle vijftig unieke Lucky Luke-covers die het weekblad Pep sierden. Ger Apeldoorn besteedde hier ruime aandacht aan in zijn voortreffelijke overzichtsboek De Jaren Pep. Let ook op de covers van een rokende Lucky Luke en zelfs eentje met Jolly Jumper met een sigaret in de mond. Toen kon dat wel, tegenwoordig is zoiets ondenkbaar.

 


William Vance + Jean Van Hamme
= Bruno Brazil Largo Winch Cobra XIII!
05/07
TOP
De dood van Big Boy Lafayette in het Bruno Brazil-verhaal Kaaimannen in het Rijstveld (in album verschenen in 1975 als deel 7) bezorgde de lezertjes van het weekblad Kuifje en Tintin een trauma. Uitgeverij Le Lombard ontving talloze kwade brieven, zelfs met prompte beledigingen. Sommigen vroegen zich af of scenarist Greg niet het voornemen had om nog meer leden van het speciale commando om te leggen. En o boy, kregen zij gelijk!

In 1976 startte de aflevering Quitte of Dubbel voor Alak 6 (deel 9 uit 1977). Big Boy Lafayette was in het vorige verhaal, Storm op de Aleoten (deel 8 uit 1976) vervangen door Tony Nomade, een hippie. Tussen pagina 43 en 45 werd het commando gedecimeerd tijdens een gevaarlijke missie. Vaarwel Bruno's broertje Billy en Texas Bronco. Zij kwamen om terwijl Whip Rafale en Tony in hun benen werden geschoten. Einde carrière voor hen. Enkel Bruno en oude rot Gaucho Moralès kwamen ongeschonden uit het pleit. Nu ja, ongeschonden. Op het einde van het verhaal is het duidelijk dat Bruno geestelijk gebroken is. Opnieuw kropen lezers in de pen, furieuzer dan tevoren. Tientallen bedreigingen belandden op de redactie van het weekblad. Ze zouden hun abonnement opzeggen! Greg had niet lang geleden zelf al een precedent gecreëerd door lezers te choqueren toen hij in het Comanche-verhaal De Hemel Is Rood Boven Laramie moordenaar Russ Dobbs zonder de minste mededogen door Red Dust af te laten knallen. Nochtans beweerde William Vance, de tekenaar van Bruno Brazil, dat hij zelf het idee aanbracht om een personage te laten verdwijnen. Hij had alleen niet verwacht dat Greg er vier zou uitschakelen.



Toen Vance het scenario ontving, trok hij in het verweer. Vance probeerde Greg van gedacht te laten veranderen. Tevergeefs. De scenarist nam zijn verantwoordelijkheden op en ging voor de beslissing die eigen was aan de tijd. De door Amerikaanse films gepassioneerde schrijver zag hoe gewelddadige scènes explicieter werden op het zilveren scherm. Tegelijk was hij ervan overtuigd dat het eeuwige leven voor een stripheld een voorbijgestreefd idaal is. De lezers waren aanvankelijk een andere mening toegedaan. Voor hen was het een uitgemaakte zaak: de serie was veroordeeld, het einde was een feit. Ze verweten Greg dat hij Bruno Brazil als reeks zelfdoding opdrong. Hoewel de negen tot dan verschenen albums veelbelovend waren, vertaalde zich dat niet in een stevig verkoopscucces.



Een jaar later, in 1977, kwam Bruno Brazil als albumreeks terug. Dossier Bruno Brazil bestond uit eerder in het weekblad verschenen kortverhalen. Een omkaderend verhaal lastte de kortverhalen aan elkaar. Daarin leren we dat Bruno Brazil aan een depressie lijdt. Gaucho Moralès wordt gevraagd een nieuw Kaaimancommando te leiden en er moet beslist worden of Bruno is afgeschreven. Het komt zelfs tot een praktisch herexamen waarvoor Bruno glansrijk slaagt. Ook deel 11 in de reeks, Het Einde...!?!, dat pas in 1995 verscheen als afsluiter van de complete herlancering van de albumreeks, bestaat uit eerder verschenen kortverhalen, nu aangevuld met de eerste zes platen van De Rode Ketting waar Vance en Greg in 1980 mee begonnen. Greg wilde de reeks nieuw leven inblazen door een nieuw commando te vormen rond het trio Bruno, Gaucho en nieuwkomer Cheree Lamour. Haar eerste missie werd meteen ook haar laatste want de auteurs werkten De Rode Ketting nooit af.



In 1978 trok Greg naar de Verenigde Staten in opdracht van uitgever Georges Dargaud om er de markt te verkennen voor de uitgave van Fanco-Belgische strips (lees er hier meer over). Voordat hij Parijs verliet gaf hij nog snel het scenario van de eerste twintig pagina's van De Rode Ketting aan Vance. De tekenaar begon er wel mee, maar stelde het tekenen van het vervolg uit omdat hij zich ongerust maakte over het verdere vervolg dat Greg nog niet had geschreven. Hij had het donkerbruine vermoeden dat het lang op zich zou laten wachten. En inderdaad, Greg vond niet de minste tijd om nog een letter op papier te zetten om Bruno een comeback te laten beleven. Vance zat ondertussen niet om werk verlegen. Hij had nog Bob Morane, Ramiro en Bruce J. Hawker.

Twee jaar later was er nog niets aan de patstelling veranderd. Uitgeverij Le Lombard speelde met het idee om het verhaal te laten afwerken door een andere scenarist en eventueel ineens de reeks aan hem over te laten. Dit had Jean Van Hamme moeten worden. Volgens journalist Jacques Pessis* weigerde Greg en beloofde werk te maken van het vervolg. Na enkele briefwisselingen zat alles muurvast. Er kwam geen enkele overeenkomst uit de bus omdat er sowieso al niets op papier stond voor de reeks van start ging. Zelfs een doorstart door alleen Vance zou juridisch onmogelijk zijn. En voor een overname door Van Hamme was een handtekening van Greg nodig. Een handtekening die er niet kwam.

In 1968 schreef Jean Van Hamme voor Paul Cuvelier (bekend van Corentin) het erotische one-shot Epoxy. Van Hammes toenmalige vriendinnetje was het buurmeisje van Cuvelier. Wanneer Cuvelier op een dag een pintje kwam drinken bij het jonge koppeltje beloofde Van Hamme aan Cuvelier om een verhaal te schrijven waarvan de tekenaar droomde: vol naakte lichamen die hij zo graag tekende zonder in de pornografie te vervallen. Na drie vodka oranges stemde Cuvelier toe. Twee weken later kreeg hij van Van Hamme het scenario. Het moment van de release was slecht gekozen. In april en mei 1968 hadden de Fransen wel iets anders aan hun hoofd. Maar recensenten onthaalden de strip hartelijk. Helaas werd Van hamme nooit betaald voor zijn werk. De uitgever betaalde de tekenaar de volledige som uit zonder dat Cuvelier eraan dacht Van Hamme te betalen. Op datzelfde moment mikte de uitgever van Dupuis de kandidatuur van Van Hamme voor een job als hoofdredacteur van Robbedoes in de prullenmand nadat hij ontdekte dat de scenarist in spe het weinig katholieke Epoxy had geschreven. Tien jaar aanmodderen viel hem daarna te beurt. Tijdens een receptie van Dargaud Benelux op 4 juli 1978 ontmoette Van Hamme Vance met wie hij het goed kon vinden. Greg had de jonge scenarist aan de tekenaar voorgesteld. Op diezelfde receptie liet hij Vance ook weten dat hij naar de States trok. Volgens journalist Jean-Pierre Fuéri** had Greg Jean Van Hamme aan Vance voorgesteld als diens opvolger voor Bruno Brazil.

Hoewel het klaarblijkelijk de bedoeling was dat William Vance en Jean Van Hamme Bruno Brazil zouden vervolgen, kozen ze uiteindelijk voor een nieuwe held: XIII. In december 1981 typte Van Hamme de eerste letters van het scenario van het eerste verhaal Zwarte Vrijdag. Tijdens de contractonderhandelingen voor alvast drie albums verlangde William Vance — die zich geen tweede keer aan dezelfde steen wilde stoten — om te preciseren dat hij de mogelijkheid behoudt om, wanneer de scenarist de handdoek in de ring mocht gooien, hij het recht had om de reeks te vervolgen met iemand anders. Dat contract werd in augustus 1983 beklonken.

De eigenlijke voorpublicatie van Zwarte Vrijdag begon op 7 juni 1984, nota bene in Robbedoes, bij de concurrent want Le Lombard presteerde het om het scenario anderhalf jaar in de lade te laten liggen waarop Van Hamme andere uitgeverijen aanschreef. De keuze viel tussen Novedi en Dargaud Frankrijk bij wie Vance al Ramiro en Bob Morane had gepubliceerd. Om financiële redenen zou het Dargaud Benelux worden. XIII was hun eerste reeks. Maar toen Le Lombard-uitgever Guy Leblanc daar lucht van kreeg, stelde hij de auteurs een nieuw weekblad voor vol actie- en avonturenverhalen. Hun nieuwe held zou de naam van het weekblad krijgen: Cobra. Vance moest Van Hamme verdedigen en beloofde Leblanc vijf nieuwe Bruce J. Hawker-albums te tekenen om processen te vermijden. Een lang, bijkomend gesprek kalmeerde de uitgever, maar het zou hem altijd blijven steken.

27 jaar na de voorpublicatie van het eerste XIII-verhaal lag deel 20 in de winkel, geschreven door Van Hammes opvolger Yves Sente. De nieuwe cyclus zou Vance tekenen, maar om gezondheidsredenen moest hij zijn carrière als striptekenaar voorgoed beëindigen.

* XIII Intégrale Volume 1, Dargaud maart 2014
** Bruno Brazil Intégrale 3, Le Lombard, februari 2014


In bovenstaande, recente Franse bronnen lopen de versies uiteen over Gregs voornemen om de reeks Bruno Brazil wel of niet aan Jean Van Hamme over te laten. De waarheid laten we liever over aan William Vance die in 2005 door Geert De Weyer werd geïnterviewd voor de Stripschrift-special over de carrière van de Vlaamse tekenaar. Wij citeren:

GDW: "Laten we meteen even enkele onwaarheden de kop indrukken: Van Hamme heeft je weliswaar gevraagd om Largo Winch te tekenen, maar jij hebt hem gevraagd een scenario te maken dat uitmondde in XIII. Waar of niet waar?"
Vance: "Van Hamme is aan me voorgesteld door Guy Leblanc, directeur van uitgeverij Le Lombard. Hij wilde per se een vervolg op Bruno Brazil hebben, maar door het feit dat Greg me geen scenario gaf, moest ik hem melden dat dat op korte termijn onmogelijk was. Aan Leblanc heb ik gevraagd of hij me niet aan een scenarist kon helpen. Hij stelde Jean Van Hamme en Bob De Groot voor. Die laatste kende ik al, dus was hij de aangewezen persoon om als eerste te worden gepolst. Hij had echter te weinig tijd, want werkte toen al onafgebroken aan Robin Hoed en Leonardo. Daarop heb ik getelefoneerd met Van Hamme, iemand die ik in het gezelschap van Greg ooit één keer had gsproken. Greg had hem toen voorgesteld als 'de nieuwe scenarist van Bruno Brazil'. Maar dat plan is kort daarop in het water gevallen. Ik heb Van Hamme daarna nooit meer gezien. Toen ik hem echter jaren later telefoneerde met de vraag of hij voor mij een reeks wilde maken, ging hij onmiddelljk akkoord. Meteen daarop heb ik hem opgezocht. Ik spreek nu over begin jaren 1980."

GDW: "Niet veel mensen weten overigens dat Van Hamme je heeft gevraagd Largo Winch te tekenen."
Vance: "Dat heeft hij me eerder terloops gevraagd. Meteen toen hij het vroeg, concludeerde hij zelf al dat ik dat niet zou doen. Hij wist dat ik niet tegen hetzelfde probleem wilde aanlopen als ten tijde van Bob Morane. Toen werkte ik met een schrijver die zijn personage allen maar onder bepaalde voorwaarden afstond. Henri Vernes bleef te allen tijde eigenaar en rechthebbende van zijn eigen personage. Dat heeft voor de tekenaar van dienst verregaande gevolgen, ook financieel. Vernes koos zelf zijn tekenaar. Je was bijna afhankelijk van hem. Dat zou ook met Largo Winch zo zijn, want het was al een roman van Van Hamme. Dat zou betekenen dat het automatisch zijn eigen personage werd dat niet gedeeld kon worden Voor XIII lag dat anders. Dat personage is van ons beiden."

Vervolgens liet Vance optekenen dat Greg mondeling had toegestemd om Bruno Brazil door Van Hamme te laten vervolgen, maar niet schriftelijk. Vance had de indruk dat Greg Bruno Brazil in feite toch niet wilde afgeven. In een later interview vroeg men Greg uit over het succes van XIII en waarom hij Bruno Brazil had laten vallen. Gregs antwoord: "Ik heb iets gedaan wat ik niet had moeten doen, maar ik wens Vance wel veel succes."


De vermiste Bollie en Billie-gag
28/06
TOP
Begin jaren 1960 verscheen bovenstaande gag van Bolle en Billie in het weekblad Robbedoes en achteraf in het eerste album van de stripreeks. De gag kreeg nummer 14 mee. Oorspronkelijk bestond er echter een compleet andere gag met het nummer 14. Alleen Jean Roba en enkele verzamelaars hebben die onder ogen gezien... En jij nu dus ook! Je vindt hem onderaan dit bericht.

De orignele plaat van gag nummer 14 raakte nooit bij Dupuis, de uitgeverij van Robbedoes, om in te scannen en te laten inkleuren. De plaat zou zoek zijn geraakt om pas veel later weer op te duiken. Ondertussen had Roba al een nieuwe gag nummer 14 getekend, maar dan met een compleet andere grap. De vermiste plaat is momenteel het bezit van een Vlaamse verzamelaar. Hij sprak er ooit over tegen Roba, maar de tekenaar herinnerde zich er niets meer van. Onderstaande gag werd alleszins nooit gepubliceerd en is een van de enige (of zelfs dé enige) uit Roba's beginperiode die in verzamelaarskringen circuleert.