Dit is archiefpagina 2 van de rubriek Weetje v/d Week.

Klik verder naar alle eerdere updates, van Weetje 026 tot 050:

050 Alles van William Vance?
049 Geen blauwe reeksalbum van Het Gouden Paard
048 Reclame-Craenhals
047 Atalante naar Egyptisch-Amerikaans en Grieks-Brits voorbeeld
046 Dan Cooper in de ruimte
045 Senta Berger door Karel Biddeloo en Manara
044 Kolonel Crickett Clifton
043 Eric de Noorman inspireert kunstwerk
042 Onbekende comic van Jijé
041 Steven Sterk door André Franquin
040 Nevenpersonage uit Blueberry wordt hoofdpersonage in Bernard Prince
039 Brokkenmaker Christian Denayer fikste de klus
038 Sigaar op Largo Winch-cover mag niet
037 Per vergissing vervolgd
036 Popeye-bedenker goeie maatjes met Al Capone
035 Stephen Desbergs eerste stappen als scenarist
034 Brandweerman Étienne Schréder, van clochard naar topassistent
033 Manga: het geile gevaar
032 Voorloper Loopgravenoorlog
031 De dood van Corto Maltese
030 De divan van Raoul Cauvin
029 De IJstrein door Loisel en Alexis en het vervolg
028 Hermelijn en Samantha Fox
027 Milo Manara's geschiedenis van de mensheid
026 De echte Sam

 
12/03
 
 
Alles van William Vance?
Nu Willam Vance heeft laten weten dat hij om gezondheidsredenen zijn tekenpen aan de wilgen hangt (toch voor wat XIII betreft want er zit nog een Bruce J. Hawker in de pijplijn), zullen we het moeten doen met zijn œuvre zoals dat op dit moment bestaat. In zijn lange loopbaan heeft de man uit Anderlecht vele duizenden strippagina's volgetekend van goedlopende reeksen als Bruno Brazil, Bruce J. Hawker en natuurlijk XIII. Allemaal klassieke avonturenverhalen die in de betere stripspeciaalzaak volop verkrijgbaar zijn.


Voor werk dat wat moeilijker te vinden is, bestaat sinds een aantal jaren de fraaie verzamelreeks Alles van W. Vance. Daarin zijn strips als Roderik, Howard Flynn, Ringo en Ramiro gebundeld naast een eindeloze reeks kortverhalen die in de jaren 1960 in het weekblad Kuifje werd gepubliceerd. Bovendien zijn in deze bundelingen ook alle illustraties opgenomen die Vance in diezelfde periode maakte bij tekstverhalen, een verschijnsel dat je vandaag de dag nog maar zelden tegenkomt.

In alle Vance-bibliografieën kunnen we lezen dat hij zijn debuut in het weekblad Kuifje maakte in nummer 15 van 1962 met een illustratie bij het tekstverhaal De Grote prijs, geschreven door Step (Pierre Stephany). Slechts weinigen zullen weten dat dit eigenlijk niet de eerste tekening is die Vance in het weekblad publiceerde.



In 1961 werkte William van Cutsem, zoals hij in werkelijkheid heet, voor het reclamebureau Publicem, dat zijn opdrachten kreeg van Philips België. En in Kuifje nummer 46 van dat jaar verscheen een advertentie voor Philips-bandopnemers waarin we duidelijk de tekenstijl herkennen van de latere schepper van XIII. Voor de kenners zal het niet nodig zijn, maar Vance zelf heeft desgevraagd bevestigd dat het hier gaat om werk dat hij als jonge reclametekenaar heeft gemaakt. Omdat in de bibliografieën het reclamewerk van Vance doorgaans buiten beschouwing wordt gelaten, kunnen we 1962 blijven zien als het officiële startpunt van zijn stripcarrière. Maar die kleine vingeroefening uit 1961 wilden we niet onvermeld laten.

Hoewel menig striptekenaar zou wensen dat zijn werk werd uitgegeven op een even fraaie en complete manier als Alles van W. Vance, zijn er toch wel wat kanttekeningen te plaatsen bij deze reeks. Ten eerste zijn er nogal wat redactionele slordigheden. Zo is in deel 6, Howard Flynn Compleet, de inhoudsopgave een rommeltje. De titel van het verhaal De Verrader Slaat toe om Middernacht is abusievelijk over twee regels verdeeld waardoor de paginanummering niet meer klopt. En het verhaal met de verminkte titel In Opdracht voor heet in werkelijkheid Een Opdracht voor Kapitein Flynn.

Iets soortgelijks treffen we aan in deel 10, Ramiro Integraal 1, waar de verhaaltitels die in de inhoudsopgave worden vermeld voor een deel afwijken van de titels aan het begin van ieder hoofdstuk. Bovendien vermeldt de rug van het album bij vergissing de Franse reekstitel Tout W. Vance. In de delen 10 en 11 wordt keurig opgesomd waar en wanneer de diverse Ramiro-verhalen eerder zijn voorgepubliceerd. Het is wat slordig dat daar melding wordt gemaakt van het weekblad Femmes d'Aujourd'hui terwijl er ook een Nederlandse versie was die Het Rijk der Vrouw heette. Dit is waarschijnlijk te wijten aan een ondeskundige vertaler. Overigens werd dat in deel 7 met Roderik wel correct vertaald.

Maar naast deze kleine tekortkomingen moeten we ook constateren dat Alles van W. Vance niet helemaal compleet is. In de reeks kortverhalen, die is verdeeld over de bundels 1 tot 4, ontbreken Voor de Eerste Maal de Waarheid over Attila uit Kuifje 39 uit 1964 en We Halen de Zonnekoning uit het Duister dat in Kuifje 50 uit 1964 werd gepubliceerd. Mogelijk is dat een bewuste keuze geweest omdat het hier gaat om twee strips die Vance tekende in een voor zijn doen ongebruikelijke, want karikaturale tekenstijl. Juist daarom zijn ze zo opmerkelijk en zouden ze een plekje verdienen tussen al het andere, meer serieuze werk. Gelukkig zijn beide verhalen wel beschikbaar in het fraaie boek William Vance van Uitgeverij Stripstift dat in 2005 werd gepubliceerd.

Daarnaast verschenen er ook nog eens zes kortverhalen van zijn hand in andere publicaties dan het weekblad Kuifje. Het vijf pagina's lange Bandieten: De Man van Dieppe is te vinden in Super Kuifje 36 uit 1987. Super Kuifje was een dikkere kwartaaluitgave van het weekblad met thematische strips. In het Franstalige tijdschrift Record verschenen vijf kortverhalen van elk vier pagina's: Charles de Baatz-Castelarmore d'Artagnan (nummer 26 uit 1964), Demain c'est Noël (nummer 36 uit 1964), Robin des Bois (nummer 41 uit 1965), Verdun (nummer 57 uit 1966) en Opération Girafe (nummer 69 uit 1967). Wellicht doordat de rechten van deze kortverhalen het eigendom zijn van de uitgever van Record werden ze niet opgenomen in de integrale reeks Alles van W. Vance staan


Daarnaast is ook Alles van W. Vance 5: Illustraties 1962-1967 niet geheel volledig want ook hier ontbreken twee afbeeldingen. Uit Kuifje 45 uit 1964 is dat de, opnieuw karikaturale tekening die Vance maakte bij het tekstverhaal Jonas van Jacques Acar. In het tweede geval gaat het om een illustratie in Kuifje 15 uit 1967 bij het verhaal De Vriend van Miel van Pierre Perier. Of het nu een bewuste keuze is geweest of slordigheid, feit is dat de reekstitel "alles" van William Vance belooft en die belofte niet helemaal waarmaakt.


Maar genoeg gemuggenzift. Voor de ware Vance-fans is Alles van W. Vance een prachtige reeks. Het is daarom des te meer te betreuren dat de uitgever vanwege tegenvallende verkoopcijfers* niet meer de moeite heeft genomen om deel 12 en ongetwijfeld ook het nog te verschijnen deel 13, het laatste in de reeks, in het Nederlands uit te brengen. Vooral omdat het hier gaat om Ramiro-verhalen die nog niet eerder in Nederlandstalige albums waren gepubliceerd. Nochtans bestaan die verhalen wel in het Nederlands dankzij hun voorpublicatie in Het Rijk der Vrouw... Strips verzamelen is leren omgaan met frustraties.

* De tweede Ramiro-bundel verzamelde zelfs geruime tijd stof in het magazijn van de uitgever. Men was het album 'vergeten' in de handel te brengen. Pas nadat De Stripspeciaalzaak eens navroeg waar die bundel bleef, kwam het na een heraanbieding bij stripwinkeliers alsnog in circulatie, bijna een jaar na het gedrukte resultaat.

(bijdrage van Ed Hengeveld)


 
05/03
 
 
Geen blauwe reeksalbum van
Het Gouden Paard
Eigenlijk hoeven we er deze keer zelf niet veel bij te schrijven. Waarom verscheen het Suske en Wiske-verhaal Het Gouden Paard na de voorpublicatie in Kuifje nooit in de befaamde blauwe reeks? En waarom moest er tien jaar gewacht worden vooraleer het alsnog — in verkorte versie dan nog — in album verscheen? Een uitleg lees je in het artikel uit De Tuf Tuf Club nummer 7 (2011) hierboven.


 
26/02
 
 
Reclame-Craenhals
Regelmatig worden striptekenaars benaderd voor het maken van een tekening of een strip voor een reclamecampagne, al dan niet met hun eigen stripfiguren in de hoofdrol. Grote namen als Jean Graton, Tibet, Eddy Paape, Albert Weinberg en Edouard Aidans hebben daar in de loop der jaren aan meegewerkt. En niet zelden leverde dit ook leuke resultaten op, zoals de platen die zijn te vinden in de eerste nummers van 1975 van het weekblad Eppo. Hoewel de maker niet wordt vermeld, is deze strip gemaakt door François Craenhals die toen al een aantal jaar veel succes had met zijn reeks De Koene Ridder.

Craenhals tekende de strips als onderdeel van een reclamecampagne voor de Matchbox Fighting Furies. Dat was een serie van zes verschillende piratenpoppen die in 1973-1974 werd vervaardigd door de firma Matchbox/Lesney Products en in speelgoedwinkels in de VS en Europa verkocht werd. De hoofdfiguren waren Hook en Captain Peg-Leg en alle figuren hadden een 'geheime gevechtsknop' waarmee de pop een zwaaiende beweging met een zwaard of een mes kon maken. Iedere verpakking bevatte allerlei piratenaccesoires zoals wapens, munten, hoofddeksels, een schatkist en ook een strip waarin te zien was welke avonturen Hook en Peg-Leg zoal beleefden en hoe de diverse accesoires daarin een rol speelden. Zo had Peg-Leg een houten been waarin een schatkaart verborgen was. Er was ook nog een decorset verkrijgbaar, Sea Fury genaamd die bestond uit een kartonnen versie van een piratenschip en die ook als opbergdoos gebruikt kon worden. Overigens was er ook nog een minder bekende westernvariant van de Fighting Furies, bestaande uit dezelfde poppen maar dan gekleed als cowboys.

De Fighting Furies was geen lang leven beschoren omdat de markt voor actiefiguren al gedomineerd werd door Hasbro's GI Joe en anderen. De poppen zijn dus maar enkele jaren te koop geweest. Craenhals maakte in totaal zes strips, eentje voor iedere pop uit de reeks:
Eppo 1975-01: Piraten Worden Vrienden
Eppo 1975-02: De Kung Fu Krijger
Eppo 1975-03: Eenoog de Zeeman
Eppo 1975-05: De Piraat van de Antillen
Eppo 1975-07: De Woestijnvalk
Eppo 1975-08: Kapitein Blood
Al deze strips vind je ook hieronder, klik erop voor een grotere weergave.


De geestelijk vader van De Koene Ridder had wel meer van dit soort werk op zijn naam staan. In de jaren 1950 tekende hij onder meer reclamestripjes voor Victoria-chocolade en voor Governor-kampeerbenodigdheden. In 1970 maakte hij een drietal reclamestrips voor VIP, een van oorsprong Brits benzinemerk dat in die periode werd overgenomen door de Amerikaanse firma Occidental Petroleum. Om de naamsverandering naar OXY te promoten tekende Craenhals drie pagina's, die werden gepubliceerd in weekblad Kuifje. In nummer 29 van 1970 slaagde iemand voor zijn rijbewijs door op het juiste moment bij een VIP-benzinepomp te stoppen. In nummer 37 werd een rally gewonnen doordat de wagen een stuk sneller reed op VIP-benzine. De derde aflevering verscheen in Kuifje nummer 48 en daarin liep Steve-de-dief tegen de lamp. Hij had als alibi opgegeven dat hij bij zijn vaste VIP-pomp had getankt, maar hij wist niet dat de naam inmiddels was veranderd in OXY. Craenhals tekende deze strips in een stijl die doet denken aan die van zijn reeks De 4 Helden. Samen vormen deze reclamestrips een weinig bekend aspect van het werk van deze tekenaar en als zodanig is het interessant om ze uit de archieven op te diepen.


In Kuifje nummer 5 van 1971 volgde overigens nog een vierde reclamestrip voor OXY, ditmaal getekend door Jean Pleyers. In 1975 werden alle OXY-benzinestations verkocht aan de Franse firma Elf.
(bijdrage van Ed Hengeveld)
 


 
19/02
 
 
Atalante naar Egyptisch-Amerikaans en
Grieks-Brits voorbeeld
Zouden de artdirector van de film Young Sherlock Holmes (uit 1985) van Rain Man-regisseur Barry Levinson en Crisse heus identiek hetzelfde Egyptische afgodsbeeld als voorbeeld genomen hebben? We betwijfelen dat sterk. Feit is dat het beeld uit de film klakkeloos is overgenomen in Atalante 3: De Geheimen van Samothracië uit 2003.

In het Griekser getinte Atalante 2: Nautiliaa uit 2002 vonden we eveneens een toepasselijk voorbeeld waarbij Crisse zich liet inspireren door een andere kunsttak. Vergelijk onderstaande tekening maar eens met de schilderijen Expectations (1885) en Sappho and Alcaeus (1881) van de Brits-Nederlandse kunstenaar Lawrence Alma-Tadema (die in Antwerpen kunstacademie volgde). Kicken! Paul Teng nam ze trouwens ook al eens als voorbeeld voor zijn illustratie die hij exclusief voor ons maakte.


 
12/02
 
 
Dan Cooper in de ruimte
De astronautencarrière van Dan Cooper vertoont een merkwaardig verloop. Deze sympathieke piloot bij de Canadese luchtmacht, een creatie van Albert Weinberg, beleefde tussen 1954 en 1992 een reeks avonturen die zich voornamelijk in kringen van de luchtvaart afspeelde. Maar reeds in het tweede verhaal liet hij de dampkring achter zich en begaf hij zich in de ruimte, twee jaar vr de lancering van de eerste satelliet in 1957. Later volgden nog meer afleveringen waarin de ruimtevaart een belangrijke rol speelde.

In De Meester van de Zon uit 1955 komt Dan Cooper op het spoor van een geheim ruimtestation dat is ontworpen door een zekere professor Scheffer. Wanneer hij de gevangene is van deze geleerde krijgt hij de kans om met een raket naar dat station te reizen waar hij vervolgens een confrontatie beleeft met zijn aartsvijand Sanders. Dat ruimtestation, toen nog verre toekomstmuziek, beantwoordde geheel aan het beeld dat in de jaren 1950 bestond van dit soort constructies. Dat was voornamelijk te danken aan een reeks artikelen in het Amerikaanse tijdschrift Collier's aan het begin van dat decennium, gepubliceerd onder redactie van de befaamde en toen nog niet omstreden raketdeskundige Wernher von Braun. Die artikels trokken vooral de aandacht door de realistische illustraties van onder meer Chesley Bonestell en schetsten hoe de ruimtevaart er volgens de toen bestaande plannen uit zou gaan zien. De afbeeldingen van gevleugelde raketten en ruimtestations in de vorm van gigantische wielen toonden een toekomstbeeld dat nog vele jaren lang in de sciencefictionlectuur zou blijven bestaan.

In Dan Coopers vijfde avontuur, Richting Mars, wordt gepoogd een bezoek aan de Rode Planeet te brengen, opnieuw met een ruimteschip dat zo uit de pagina's van Collier's lijkt te zijn weggevlogen. Zelfs vandaag de dag nog lijkt zo'n reis een zeer ambitieus plan met veel haken en ogen, maar zeker in de jaren 1950 moet dat een onmogelijke opgave hebben geleken. Het leek er dus op dat Albert Weinberg zijn creatie steeds verder het zonnestelsel in zou sturen.

Maar in de jaren 1960 werden de verhalen langzamerhand wat realistischer en kregen ze meer raakvlakken met de technische mogelijkheden van dat moment. En dus doet zich het vreemde feit voor dat Dan Cooper in 3 Kosmonauten uit 1963 wat baantjes om de aarde draait aan boord van een Mercury-capsule zoals die op dat moment werd gebruikt bij de eerste primitieve Amerikaanse ruimtevluchten. Weliswaar worden er in de strip drie naamloze capsules tegelijk gelanceerd vanaf een lanceerbasis in Zwitserland, maar niettemin zien de ruimtescheepjes er precies zo uit als de zeer kleine eenpersoons-Mercury waarmee Alan Shepard in 1961 de eerste Amerikaan in de ruimte werd. Een vreemde degradatie voor een astronaut die al naar de planeet Mars is gereisd!

Vanaf dat moment houden de avonturen van Dan Cooper min of meer gelijke tred met de werkelijkheid. In Paniek op Cape Kennedy laat Albert Weinberg zijn held trainen voor een ruimtevlucht aan boord van een tweepersoons-Gemini-capsule, waarmee de Amerikanen in 1965 en 1966 twaalf succesvolle vluchten maakten. En in SOS in de Ruimte gaat hij samen met zijn astronautenmaatje Kid Dereika ook daadwerkelijk de ruimte in aan boord van Gemini-13. Om zich te documenteren werd Weinberg onder meer op de lanceerbasis Cape Kennedy rondgeleid en aan de illustraties onderaan dit artikel is goed te zien dat hij gretig gebruik wist te maken van het aan hem verstrekte fotomateriaal.

Tijdens het hoogtepunt van de Apollo-maanlandingen in 1969 volgde dan nog Apollo roept Soyoez waarin Dan Cooper naar de maan reist samen met opnieuw Kid Dereika en het derde bemanningslid Frank Lorman. Die laatste naam werd overigens zonder al te veel fantasie 'geleend' van de destijds zeer bekende Amerikaanse astronaut Frank Borman. Het verhaal vertoonde nogal wat onwaarschijnlijkheden en Weinbergs tekenwerk maakte meer en meer een ongeïnspireerde indruk, maar toch was het voor de jonge lezertjes van die tijd een boeiend avontuur.

Weinberg wist als vaste medewerker van het weekblad Kuifje zijn grote kennis over lucht- en ruimtevaart op kundige wijze in zijn strips te verwerken. Het is daarom interessant om te zien hoe hij in de loop der jaren steeds meer gebruik ging maken van documentatie om de werkelijkheid zo getrouw mogelijk weer te geven.
(bijdrage van Ed Hengeveld)




 
05/02
 
 
Senta Berger door Karel Biddeloo en Manara
Dat Karel Biddeloo voor Galaxa de looks van de Duitse actrice Senta Berger als voorbeeld nam en haar soms gewoon natekende zoals de animatie hiernaast aantoont, is geen geheim. In hoofdstuk 3 van De Rode Ridder Story staat een uitgebreide biografie van Senta Berger.
We weten zelf nog maar sinds kort dat ook andere tekenaars een boontje hadden voor de knappe actrice. Zo is de hoofdrolspeelster uit de Italiaanse erotische reeks Jolanda, la Figlia del Corsaro Nero eveneens gebaseerd op Senta Berger.


De reeks verscheen tussen 1970 en 1974 en verscheen als Jolanda ook in vertaling van 1973 tot 1977. 56 van die sekspockets over de piratendochter telt de Nederlandstalige reeks. De nummers 14 tot 61 van de oorspronkelijke reeks waren het werk van Milo Manara. Na deze leerschool zou hij later doorbreken met het erotische De Schakelaar en groeide uit tot een van de meesters van de erotische strip.
Gelijkenissen met actrices werden wel meer bewust beoogd in dergelijke Italiaanse reeksen. Zo kan je in Zora la Vampira de Franse Catherine Deneuve herkennen en in Sukia (ook al een vampier) Ornella Mutti. Zora en Sukia verschenen in de jaren 1970 en tot laat in de jaren 1980 ook in vertaling.
Hieronder vind je enkele losse afbeeldingen uit Jolanda (bij ons weten niet van Manara) naast wat foto's van Senta Berger om je te wijzen op de gelijkenissen.




 
29/01
 
 
Kolonel Crickett Clifton
Yoko Shirishi, Edith Rabatjoie, Dacker (of Jameson) en Carrots, Ragnar, Rikki en Pukki,... Hadden respectievelijk Roger Leloup, Jacques Tardi, Don Lawrence, Jean Van Hamme en Willy Vandersteen voor hun oorspronkelijk bedachte naamgeving gegaan dan kende je Yoko Tsuno, Isabelle Avondrood, Storm en Roodhaar, Thorgal en Rikki en Wiske vandaag niet onder die namen.
Ook Sir Harold Wilberforce Clifton, de Britse kolonel van Raymond Macherot, heette oorspronkelijk anders. Op een illustratie uit 1958, met als doel zijn nieuwe creatie aan de redactie van Kuifje voor te stellen, prijkt nog de naam Crickett. Verder wordt hij omschreven als:
"Een personage met klasse.
De beste detective sinds Sherlock Holmes.
Ex-kolonel van de "Hot Bath Guards"
... verliet het leger na de oorlog om zich bezig te houden met politieraadsels,
met de scouts en met zijn tuin.
- een passie: de jachthoorn
- hij heeft steeds zijn paraplu bij
het is een licht karabijngeweer"

Uiteindelijk zouden we het personage beter kennen als een ex-agent van de Britse geheime inlichtingendienst en als ex-kolonel van de RAF. Hij is op pensioen en woont samen met zijn gouvernante Mrs Partridge. Hij verzamelt sigarenbandjes en is wel nog actief als scoutsleider.
De drie allereerste verhalen van Clifton door Macherot verschenen niet in de reguliere reeks die begon met de albums van Turk en Bob De Groot. Ze verschenen wel in de Collectie Jong Europa (Op Speurtocht met Kolonel Clifton en Clifton in New York) en de collectie Pourquoi Pas (Clifton tegen de Spionnen) en in 1981 in een special waarin alle drie verhalen gebundeld waren.
Na Macherot, die imiddels naar het concurrerende Robbedoes was overgestapt, namen Jo-El Azara en Greg (De Duivelse Dwergen dat later als deel 17 verscheen met toevoeging van enkele kortverhalen door Bédu, Turk en Bob De Groot) het voor één verhaal van hem over alvorens Turk en De Groot (deel 1-9), Bédu en De Groot (deel 10-13) , Bédu (deel 14-16), Michel Rodrigue en De Groot (deel 18-20) en tot slot Rodrigue op zijn eentje (deel 21).
Le Lombard zette de reeks in vertaling stop na deel 18, Jade. De drie laatste albums werden nooit vertaald. In januari verscheen bij Le Lombard deel 1 van een Franse integrale reeks met extra's. De integrale reeks zal zes bundels tellen.


 
22/01
 
 
Eric de Noorman inspireert kunstwerk
Op 29 oktober 2010 werd in de haven van het Nederlandse Wijk bij Duurstede het kunstwerk De Stalen Viking geplaatst. Het beeld werd eigenlijk al eind juni onthuld tijdens het evenement Dorestad Wereldstad, maar toen was er nog geen vergunning om het definitief te plaatsen.
De Stalen Viking moet de roemruchte geschiedenis van de stad symboliseren. In de vroege middeleeuwen lag op de splitsing van de Rijn en de Lek, ongeveer waar nu Wijk bij Duurstede ligt, de handelsnederzetting Dorestad, een van de belangrijkste commerciële knooppunten in noordwest-Europa. Dorestad werd in die tijd met enige regelmaat leeggeroofd door de Noormannen op hun legendarische plundertochten.
Medewerker Sjaak Hagoort van de Rabobank Kromme Rijnstreek werd geïnspireerd door de poster van Dorestad Wereldstad en kwam met het idee van een Viking als symbool voor de handelsvaart op Dorestad van 1200 jaar geleden. Hagoort vroeg de Wijkse vormgever André van Zwieten om hulp en dat resulteerde in het plaatstalen beeld dat nu in de haven van Wijk bij Duurstede staat.
Bij het ontwerp is kennelijk goed gekeken naar de strip Eric de Noorman van Hans G. Kresse. De pose van De Stalen Viking lijkt sterk op een tweetal klassieke afbeeldingen die Kresse van zijn held maakte, waarvan we er voor de duidelijkheid eentje gespiegeld hebben. Of het gaat om een toevallige gelijkenis of een bewuste kopie zullen we hier in het midden laten, want er is al genoeg geduvel rond het beeld. Niet iedereen is blij met zijn komst en volgens goed Nederlands gebruik is een aantal inwoners van Wijk bij Duurstede een actie begonnen om De Stalen Viking weg te krijgen. Tegenstanders vinden namelijk dat het beschermde stadsgezicht wordt aangetast. Burgemeester en wethouders sluiten niet uit dat er "een heroverweging" volgt en dat het beeld zal verhuizen naar een andere plek.
(bijdrage van Ed Hengeveld)

Reactie van de ontwerper
Daags na de publicatie van bovenstaand bericht, ontvingen we volgende reactie van ontwerper André van Zwieten die we hier zeer graag aan toevoegen:
"Dat kan geen toeval zijn! Een op de gestalte van Eric de Noorman geïnspireerd silhouet krijgt een berichtje op jullie stripwebsite.



En jullie suggestie klopt grotendeels. In 2009 vroegen de organisatoren van het evenement Dorestad Wereldstad mij een poster te maken voor hun evenement. Het werd een collage van stifttekening, gevuld met gefotografeerd hout, steen, water, riet, boomkruinen. "Tja," zeiden ze. "Over de geschiedenis van Dorestad hangt de schaduw van die Vikingen. Kun je daar niet iets mee?" Natuurlijk kon ik dat. Een prachtkans om de stripheld uit mijn vroege jeugd (ik las Pep, Sjors, Kuifje, Eppo) te eren! Maar niet alleen de creatie van Hans G. Kresse heeft model gestaan voor deze Viking, ook de schoolplaat van Isings over de plundering van Dorestad, was een voorbeeld, al kon Isings met de anatomie van de menselijke figuur niet goed overweg. Maar daar houdt dan ook de vergelijking op. Een Vikinghelm had geen hoorntjes, en Scandinavische, Schotse en Saksische krijgers zagen er bijna allemaal eender uit.
Het blijft leuk om een viltstifttekening tot 6,5 m hoog in zwart geverfd staal uitgevoerd te zien, wat de omgeving er ook van vindt.
Afgelopen week stond-ie tot z'n knieën in het water. Een prachtgezicht."



 
15/01
 
 
Onbekende comic van Jijé
Op 1 januari 2011 schonk www.bdzoom.com aan zijn lezers een exclusiviteit: Love and Learn, een onbekend stripverhaal van Jijé, tot dan toe nergens anders gepubliceerd dan in een Amerikaanse comic.
Het zes pagina's tellende kortverhaal verscheen in nummer 6 van de romantische comicreeks Romance Trail van DC Comics (de uitgever van Batman en Superman). Het zesde was meteen ook het laatste nummer. Het is gedateerd op maart 1950, maar experts zijn het erover eens dat het verhaal rond de periode mei of juni 1950 is gemaakt door Jijé want comics werden met twee maanden voorsprong gedateerd.
De vondst is een zeldzaamheid en een lucky shot. Romance Trail werd tot voor kort niet verzameld. Er zijn dan ook weinig nummers van bewaard gebleven. De periode 1949-1951 betekende bovendien een explosie van dit soort genrestrips waardoor het best kan dat Jijé nog andere western- en/of romantische verhaaltjes heeft gemaakt voor de Amerikaanse markt tijdens zijn verblijf in de Verenigde Staten. Dat de strips in die tijd (op weinige uitzonderingen als voor E.C. Comics na) niet werden ondertekend, maakt de zoektocht nog hopelozer.
In het personage Brad Tyler kan je een voorloper van Jerry Spring ontdekken, de westernheld die Jijé pas in 1952 voor het weekblad Robbedoes creëerde en waarmee hij grote successen zou oogsten. Het effende het pad voor Blueberry en Comanche.




 
08/01
 
 
Steven Sterk door André Franquin
Bekijk bovenstaande ontwerptekeningen van Steven Sterk maar eens heel aandachtig. Die zijn niet van Peyo zoals je logischerwijze zou aannemen, nee, André Franquin heeft het personage ontworpen. Deze schetsen dateren van 1960, de illustratie hiernaast is van Peyo en is wellicht de allereerste tekening van Steven Sterk door de auteur van De Smurfen. Rechtsbovenaan op de tweede afbeelding schreef Franquin een verhaalidee op: "Voor een volgende aflevering helpt hij een circus dat failliet gaat". Het is de aanleiding voor Steven Sterk 5: Circus Bodoni.

Begin 1960 vroeg uitgever Charles Dupuis aan de voor het blad Robbedoes zeer belangrijke tekenaar Peyo of hij de gagstrip Poesie niet uit Le Soir kon halen om ze in Robbedoes te publiceren. Peyo ging akkoord, maar hij wilde de krant, die nog vóór de uitgeverij uit Marcinelle vertrouwen in 'm schonk, niet te kort doen. Hij wilde voor de krant een nieuwe serie creëren die enkel in de zaterdageditie zou verschijnen. Hij dacht aan een klein jongetje met een ongelooflijke kracht dat zijn sterkte zou verliezen als hij verkouden was.

Beste vriend Franquin was wild van het idee en hielp Peyo dus om het personage vorm te geven. Dupuis ving snel de plannen van Peyo op en telefoneerde de tekenaar met de boodschap Poesie te laten vallen want het was Steven Sterk dat hij wilde. Nu had Peyo dus een extra reeks naast De Smurfen en Johan en Pirrewiet te maken. Voor Le Soir ontwierp hij de reeks Jakke en Silvester dat hij liet tekenen door studiomedewerkers zoals François Walthéry en Roger Leloup. Ook voor Steven Sterk rekende hij op hulp, nu van een buitenstaander.



Net vóór deze periode liet Will Baard en Kale vallen om bij Kuifje te gaan werken als artistiek directeur. Maar de twee jaar dat hij bij de concurrentie van Robbedoes werkte, ervaarde hij als een ontgoocheling. Nu keerde hij alsnog terug naar de Robbedoes-ploeg. Marcel Denis had in tussentijd de reeks Baard en Kale overgenomen. Will had geen haast om zijn oude reeks verder te zetten, hij schreef toch de verhalen niet. Hij ging daarom gretig in op het voorstel van Peyo om samen te werken aan Steven Sterk. Uit tijdgebrek zou Peyo namelijk nooit alle hedendaagse decors kunnen tekenen, die taak wilde hij aan Will uitbesteden terwijl Peyo zelf de personages zou tekenen. Ondertussen was Peyo al wel begonnen aan De Rode Taxi's, het eerste verhaal van Steven Sterk. Hierboven vind je de eerste halve pagina die Peyo voor het eerste verhaal tekende. Het was net door zo'n illustratie dat Peyo besefte dat hij het niet alleen kon rooien. De tekening werd nooit gebruikt omdat Will voor de definitieve versie instond voor alle decors en een nieuw stadsbeeld tekende. Zo waren de taken mooi verdeeld.

(Bron: Hugues Dayez — Peyo L'Enchanteur)


 
24/12
 
 
Nevenpersonage uit Blueberry wordt hoofdpersonage in Bernard Prince
Er wordt wel eens aan tekenaars gevraagd waar de oorsprong van hun personages ligt. Bij Hermann blijkbaar in andere stripreeksen. Zo beweert hij zelf dat een nevenpersonage uit het Blueberry-album De Man met de Zilveren Ster hem de inspiratie gaf voor Barney Jordan. De trekken van een inwoner van Silver-Creek vormde Hermann om tot het rosse personage dat Barney uiteindelijk is geworden.

Wil je het straffer? Ook Kurdy uit de reeks Jeremiah haalde Hermann uit een andere strip, meerbepaald uit een kortverhaal dat Claude Auclair in het weekblad Kuifje publiceerde. Daarin kwam eveneens een nevenpersonage voor met een helm. Hermann kan zich de titel van het verhaaltje niet meer herinneren, noch of het ooit in album is verschenen. Het gaf de tekenaar alleszins het idee om voor Jeremiah een personage te creëren met een helm en hem een wat sluw, geniepig gezicht te geven.
Een lezer meldde ons achteraf dat hij vermoedt dat het personage waarover Hermann het heeft uit het verhaal Het Eiland Arroyoka komt. Het verscheen in de jaren 1970 inderdaad in opeenvolgende hoofdstukken in Kuifje en Greg was er de scenarist van. Het personage heet Driscoll en maakt zijn opwachting in het derde hoofdstuk van het verhaal dat in 1979 in album werd gepubliceerd.


Hermann beschouwt deze voorbeelden zelf als een kleine en discrete hommage, zeker niet als plagiaat. Hij biechtte zijn jeugdzonde later op aan Jean Giraud. De tekenaar van Blueberry lachte hartelijk. Giraud vertelde op zijn beurt dat Hermann beter paarden kan tekenen en dat hij een enkele keer een scène met galopperende paarden uit Comanche als voorbeeld heeft gebruikt voor een scène in Blueberry. Het kopiespelletje werd dus met gelijke munt terugbetaald.

(Bron: Frédéric Bosser — [dBD] Monographies HS#05: Hermann, Le Stakhanoviste du Dessin)


 
18/12
 
 
Brokkenmaker Christian Denayer fikste de klus
 
Hierboven zie je de originele tekening voor de cover van de eerste Franstalige integrale van De Brokkenmakers, een actievolle reeks van Christian Denayer en André-Paul Duchâteau. Het ingekleurde en afgewerkte resultaat zie je hiernaast.
De reeks is ondertussen zestien jaar geleden stopgezet. Door de hernieuwde aandacht voor de reeks dankzij de integrales is er ook interesse gekomen uit onverwachte hoek: een bekende filmregisseur is vast van plan om een film van De Brokkenmakers te maken. Denayer wilde in een recent interview niet zeggen om welke regisseur het gaat, maar wij gokken gemakshalve op Luc Besson. Er is alleszins al een voorakkoord getekend. Het script zou worden gebaseerd op de verhalen die in de vierde integrale staan, over de vrachtwagens, de Big Mama-cyclus! Nu wacht een langdurig proces waarbij het eindpunt nog niet in zicht is en waarvan het niet eens zeker is of het ooit tot een film komt.

Wel een feit is de aparte ontstaansgeschiedenis van de reeks. In 1973 maakten Denayer en Duchâteau een reeksje voor Robbedoes. Bij een etentje, waar alle auteurs aan het weekblad voor werden uitgenodigd, dienden de auteurs hun wagens te parkeren aan de rand van een meer. Na de maaltijd, zo rond middernacht, vond Duchâteau zijn wagen compleet vernield terug door toedoen van een andere chauffeur. Hij moest een depanneur bellen om zijn wagen op te laten halen. Enkele weken later stelde Denayer op de trein naar het stripfestival van Angoulême aan Duchâteau zijn plannen voor om een stripreeks te maken waarin veel wagens in de prak zouden worden gereden. De scenarist hapte toe. Het opmerkelijke is dat Duchâteau werkelijk geen enkele interesse voor wagens had.

In de jaren 1980 reisde het duo vaak naar Duitsland omdat Yalek er werd gepubliceerd in een Duist magazine. Soms reden ze met Denayers wagen, soms met die van Duchâteau. Op een dag had de scenarist een nieuwe Volvo gekocht. Denayer vroeg 'm naar de cilinderinhoud, maar dat wist Duchâteau niet. Hij kende niets van zijn eigen wagen. Met moeite wist hij dat het een diesel was,en geen bezineslikker, maar zelfs het verbruik van de wagen kende hij niet. Ondanks dat gebrek voor wagens, schreef hij met De Brokkenmakers en ook met Alain Chevalier voor dezelfde tekenaar twee populaire reeksen uit het weekblad Kuifje. In de verhalen van de jonge dandy Alcibiade Russel en zijn vele oudere kompaan Brockowsky (zeg maar Al Russel en Brock, allebei flikken) vloog menig voertuig aan je neus voorbij.

Vandaag is Denayer de gevierde tekenaar van Wayne Shelton. Duchâteau is nu vooral de grote man van Rik Ringers... waar Denayer nog acht jaar aan heeft meegewerkt. Hij assisteerde Tibet voor tien albums nadat hij al voor Jean Graton (van Michel Vaillant) werkte nog voor Graton met een eigen studio begon. Het verschil tussen beide leermeesters vatte Denayer als volgt samen: "Jean Graton was een beetje paternalistisch, maar hij nam niet echt de tijd om mijn fouten uit te leggen. Tibet daarentegen nam een potlood en tekende het me voor. Hij was een echte leraar. Ik heb veel geleerd door met hem samen te werken. We zijn vrienden geworden."

Toen Tibet zijn eerste hartinfarct kreeg, was Denayer de aangewezen persoon om volledige platen van Rik Ringers te tekenen. Dat was voor het verhaal Duel met de Beul. Hoofdredacteur Greg belde hem op met de melding dat hij het verhaal verder moest afwerken want de voorpublicatie liep al in Kuifje. Hij kreeg acht dagen voor de resterende vier pagina's. Ondanks de tijdsdruk en de plankenkoorts slaagde Denayer in de moeilijke klus, als depanneur. Greg en Tibet waren tevreden. Toch hertekende Tibet, van zodra hij aan de beterhand was, de platen voor de albumpublicatie om de coninuïteit te handhaven. Zoek dus maar eens de verschillen op als je het album en de weekbladversies bezit.

(Bron: Nicolas Anspach — ActuaBD, 28 november 2010)

 
04/12
 
 
Sigaar op Largo Winch-cover mag niet
In ons interview met Philippe Francq en Jean Van Hamme toonde Van Hamme plots aan Francq een plaatje uit Jan Kordaat waarin de held rookt. Nadat we het artbook Largo Winch: Images en Marge 1990-2010 doorbladerden (op een voorwoord van Van Hamme na bevat het boek enkel mooie plaatjes), begrepen we beter de zijdelingse opmerking "En helden mochten nog roken..." In het artbook staat de originele cover van het Largo Winch-album Golden Gate. Daarop staat Simon Ovronnaz als nieuwbakken acteur een sigaar te roken. Deze cover werd net voor de release ervan gecensureerd. De sigaar werd voor de uiteindelijke albumcover vervangen door een tandenstoker (Simon in het groot) en een brede glimlach (Simon in het klein).
De oorspronkelijke covertekening ging niet verloren. Van de illustratie werd een zogezegde promotieaffiche voor de tv-reeks Golden Gate (waarin Simon meespeelt) gefabriceerd. Een sigaar in de mond van een strpfiguur op de cover van een album dat in veel winkelrekken is te zien, mag dus blijkbaar niet.


 
27/11
 
 
Per vergissing vervolgd
In 1990 verscheen in de Collectie Delta van uitgeverij Oranje het eerste deel van Het Kristallen Zwaard. Daarna verschenen telkens in dezelfde periode met een jaar verschil de vier vervolgdelen van het fantasy-epos. De tekenstijl van de Belg Crisse viel in de smaak. Verlost van het juk van jeugdreeksen als Ocean's Kings en Nahomi voor respectievelijk de weekbladen Robbedoes en Kuifje betekende Het kristallen Zwaard zijn grote doorbraak bij een groter en meer volwassen publiek.
Zorya was een fijne heldin om naar te kijken en ook de rest van het tekenwerk was topwerk. Het scenario van de toen debuterende Jacky Goupil (hij was al wel uitgever van Vents d'Ouest, een onderdeel van Glénat die de serie in het Frans uitgaf) kon zich bovendien meten met illustere voorbeelden als Op Zoek naar de Tijdvogel. Het was dan ook terecht dat Glénat voor de veertigste verjaardag van de uitgeverij in 2009 de reeks Het Kristallen Zwaard selecteerde als een van de orgelpunten van veertig jaar eigen uitgeefgeschiedenis. Er kwam daarom een luxueuze integrale versie in een speciale collectie met ook nog De Geheime Driehoek, De Torens van Schemerwoude, De Tien Geboden, Het Land van Langvergeten, Joe Bar Team, De Pioniers van de Nieuwe Wereld, Titeuf, Het Derde Testament, De Zeven Levens van de Sperwer, Peter Pan en Samber, dus tussen de grootste successen van Glénat. Van elk album gingen er in het Frans meer dan honderdduizend exemplaren over de toonbank. Vertalingen verschenen er onder andere in het Nederlands, Duits en Spaans.
In 1995 werd de serie voltooid. Er kwam nog een spin-off met de heksjes Loretta en Harpeya waar twee albums met gags het gevolg van waren. In 1997 kwam er enkel in het Frans het speciale album Les Arcanes de L'Épée de Cristal uit, maar dat was eigenlijk niet meer dan een verzameling voorbereidende schetsen en studies om de personages te ontwikkelen. Sindsdien heeft Crisse wel betere illustratieboeken uitgebracht.

Nu goed, een kleine tien jaar na het afsluiten van de serie, was er plots sprake van een vervolg. Successen dienen nu eenmaal te vaak om uitgemolken te worden. Aanvankelijk bestond het plan om de jeugdjaren van Zorya in een aparte reeks te gieten. Onder supervisie en op scenario van Crisse zou Nicolas Keramidas (Luuna) de tekeningen voor zijn rekening nemen. Goupil op zijn beurt dokterde een andere cyclus uit die het onmiddellijke vervolg zou worden op de reeks. Patrice Wozniak zou 'm een handje helpen bij het scenario.
Over die jonge jaren-cyclus is daarna niets meer vernomen, maar in 2004 verscheen in het Frans deel 6 van Het Kristallen Zwaard, Le Cité des Vents. Dat gebeurde trouwens bij Soleil, de nieuwe uitgever van Crisse die er al onder meer Luuna en Atalante had lopen. De auteurs waren Christian Boube, geruggensteund door Crisse voor het tekenwerk, en Kainzow als coscenarist voor Goupil. Crisse tekende zelf de eerste zes pagina's, maakte dan nog het storyboard voor de volgende tien pagina's waarna Boube het helemaal van 'm overnam. Het verschil spreekt niet in zijn voordeel. Het werd er alleen slechter op.
Maar dan het verhaal. Beeld je een apocalyptisch New York in op het einde van de 21ste eeuw. Zorya en haar monsterlijke broertje Argas zijn veroordeeld tot onsterfelijkheid en waren rond in een helse stad. Ze krijgen te kampen met verschrikkelijke Zoondäks en de hordes van Morbiüs. Zorya en haar nieuw verworven vrienden vluchten tot ze vinden wat ze zoeken: de dood.
De drastische verandering van setting, van een middeleeuws aanvoelend rijk naar een futuristisch decor, lokte een en al kritiek los bij de lezers. De commentaren waren vernietigend. "Ontgoocheling" was het vaakst voorkomende woord in reacties. Op zijn best werd er toch nog uitgekeken naar het tweede deel van de tweede cyclus om de doorslag te geven of ze de serie nog een kans wilden geven. Dat vervolg kwam er niet, nooit.

Deel 6 werd als een vergissing beschouwd. Sindsdien wordt er nog maar weinig melding gemaakt van het bestaan van het sequelalbum. Kainzow, die bij Vents d'Ouest als verkoper werkte, hield het al na zijn eerste verhaal als stripscenarist voor bekeken. Boube liet zijn werk nog eenmaal in publicatie zien in het collectiefalbum Belles et Canons met illustraties over krijgsters, liefst zo naakt mogelijk. Hij komt tegenwoordig aan de bak als illustrator en schilder, bijvoorbeeld voor de decoratie van muren van een kinderziekenhuis.


 
20/11
 
 
Popeye-bedenker goeie maatjes met Al Capone
Omdat Elzie Crisler Segar in 1938 overleed, behoren de rechten van diens eerste Popeye-publicaties sinds 2008 (zeventig jaar na Segars overlijden dus) tot het wereldpatrimonium. Dat betekent dat iedereen zijn strips mag uitgeven zonder ook maar iets aan auteursrechten te betalen. O ja, dat klopt, de beroemde spinazieverorberende tekenfilmheld is gebaseerd op een strip. Ook de tekenfilmpjes van de Fleischer Studios behoren inmiddels tot het wereldpatrimonium.

In 1931 leerde Bud Sagendorf Segar kennen met wie hij tot zijn dood zou samenwerken aan de stripreeks. Daarna werd hij de grote man. In een interview in Stripschrift 78 uit 1975 toonde Sagendorf zich als een ware spraakwaterval waarin hij onder meer de carrière van Segar uit de doeken deed. Zo beweerde hij dat Segars dagelijkse gagstrip Thimble Theatre (waarin Popeye voor het eerst opdook op 17 januari 1929) wellicht de allereerste vervolgstrip was omdat het soms vijf, zes of acht weken tot zelfs drie maanden kon uitlopen. Thimble Theatre startte in de krant op 19 december 1919. De hieronder afgebeelde strook is de eerste waarin Popeye voorkwam. Klik erop voor een grotere weergave.


Segar werd in zijn ambitie om stripauteur te worden gesteund door Richard F. Outcalt, de schepper van Buster Brown en uit de geschiedensboeken vooral gekend van The Yellow Kid omdat het als een van de allereerste (kranten)strips geldt. Segar had geen verdere bedoelingen met het personage dan een eenmalig optreden als zeeman, maar het publiek, dat toen massaal kranten las en dat van populaire stripauteurs steenrijke en beroemde vedetten kon maken, vroeg om meer. Tussen 1933 en 1957 maakten de Max en Dave Fleischer (ook gekend van de eerste Superman-tekenfilmpjes en Betty Boop) de gekende tekenfilmserie waarvan afleveringen nu nog regelmatig worden uitgezonden. De Popeye-serie was het grootste succes van de Fleischer Studios en kon als enige de concurrentie met Walt Disney's Mickey Mouse doorstaan.

Eén opmerkelijke anekdote uit het Stripschrift-interview willen we je niet onthouden. Het volgende verhaal speelde zich af in Chicago waar Segar een tijd lang woonde en werkte aan onder meer een krantenstrip met en over Charlie Chaplin (1916).
Bud Sagendorf: "Omdat hij verdomd goed biljart speelde, had hij de gewoonte te eten in een kleine zaak die een combinatie was van restaurant en speelhal. Daar liep hij toevallig een kerel tegen het lijf waarmee hij daarna af en toe samen at. De man leerde Segar hoe je spaghetti met een vork moest oprollen en ze werden goede vrienden. Hoe dan ook, Segar kon 's avonds laat bij de krant aan de strip werken (tot 2-3 uur 's nachts) en daarna de tien of elf blokken naar zijn kosthuis lopen zonder ook maar één enkele keer te worden lastiggevallen door de misdadige elementen uit de buurt. Iedereen vertelde hem dat het krankzinnig was om in die kleine uurtjes naar huis te lopen. Pas later toen hij naar New York verhuisd was en toevallig een foto van zijn vriend uit het gokhal-restaurant in de krant zag staan, realiseerde hij zich dat het Al Capone was — en dat Al de woorden gesproken had: 'Dat is een vriend van mij, poten thuis!'"


 
13/11
 
 
Stephen Desbergs eerste stappen als scenarist
Op 5 november 1977 overleed René Goscinny schielijk bij zijn cardioloog terwijl hij een fysieke test op de fiets ondernam. Hij stierf aan een hartstilstand en werd amper 51 jaar. Naast het menselijke verlies was er ook het professionele verlies. Albert Uderzo stond er nu alleen voor om Asterix voort te zetten. Hetzelfde gold voor zijn andere immense successerie, Lucky Luke. Het laatste jaar boterde het nochtans niet meer tussen de scenarist, uitgever Dargaud en tekenaar Morris. Maar een nieuwe scenarist diende toch gezocht te worden.

De jonge Stephen Desberg nam in 1972 de reeks Baard en Kale van de grote Maurice Tillieux over. Dat gebeurde met tussenstappen. De ontmoeting tussen Tillieux en Desberg kwam tot stand dankzij de Brusselse striphandelaar en occasionele uitgever Michel Deligne, die op dat moment de eerste afleveringen van Tillieux' Felix in album uitgaf. Desberg kwam wel eens bij Deligne langs om er zijn verzameling van Jan Kordaat te vervolledigen. Deligne organiseerde een ontmoeting met de twee heren, maar Tillieux schonk Desberg haast geen aandacht. De scenarist in spe was niet onder de indruk.
Een paar dagen later belde Tillieux Desberg op met het verzoek om een test te maken. Hij mocht een scenario schrijven, maar kreeg niet de garantie dat het zou worden gebruikt. Desberg schreef een korte aflevering van Jess Long. Tillieux vond het goed, maar zat plots in tijdsnood voor de reeks Baard en Kale. Dat kwam goed uit voor Desberg want hij hield wel van die reeks. Hij leverde het idee voor De Laatste Stunt met New York als decor. Tillieux veranderde de setting naar het Franse Aulnay in de Ardèche. Zonder Will te ontmoeten tijdens het uitschrijven van zijn eerste Baard en Kale-scenario (want hij werkte in opdracht van Tillieux, niet voor Will), moest hij het verhaal meerdere keren herschrijven. De commentaren van de meester waren dikwijls hard. Een botte "Dat is niet goed" of ""Denk maar niet dat je al een professional bent, dat zal nog vijf jaar duren". Ondertussen kon hij ook voor André-Paul Duchâteau aan de slag die bij hem een scenario voor Yalek bestelde.
Uiteindelijk bracht Desberg zijn eerste Baard en Kale-scenario tot een goed einde. Tillieux kocht het aan, maar zei er wel bij dat hij het ging veranderen zoals hij het wilde. Desberg aanvaardde onder de voorwaarde dat hij ook het volgende verhaal mocht schrijven. En dat was oké.


Vanaf De Bivakmutsen kwam Tillieux minder tussen in het schrijfproces. Hij begon steeds meer het werk van zijn leerling te waarderen. Op een vergadering bij Dupuis zei hij zelfs tegen Raoul Cauvin dat Desberg een naam was om te onthouden.
Na het einde van Desbergs tweede verhaal vertrouwde Tillieux de reeks Baard en Kale volledig toe aan Desberg. Hij kreeg er ook het telefoonnummer van Will bovenop zodat hij het de tekenaar zelf kon vertellen. De vriendschap met Will en vooral ook zijn zoon Eric Maltaite (voor wie hij onder meer Hercules en 421 zou schrijven in de jaren die volgden) en de rest van de familie groeide met de jaren.
Desberg vertelde aan Tillieux nog wel in het kort waarover Metamorfose ging, maar voor Tillieux was het al lang beklonken. Desberg was nu de nieuwe scenarist. En er kon eindelijk getutoyeerd worden. Tillieux zou zich nu weer tenvolle kunnen wijden aan Guus Slim door de reeks zowel te tekenen als te schrijven want hij had daar wel weer zin in en ook de broodnodige tijd.

Terug naar Lucky Luke. Als jonkie met lef stelde Desberg na de dood van Goscinny aan Morris voor om een scenario van Lucky Luke te schrijven. Morris stemde toe onder de voorwaarde dat Tillieux de dialogen zou schrijven. Maar helaas, vijf jaar na zijn eerste stappen bij Tillieux en dus volgens diens profetie ondertussen een volleerd scenarist zou het nooit komen tot een coauteurschap Morris + Stephen Desberg / Maurice Tillieux. Drie maanden na het verdwijnen van Goscinny verongelukte Tillieux namelijk met zijn wagen op 2 februari 1978. Guus Slim nam hij mee in het graf, sindsdien zijn geen nieuwe verhalen meer verschenen. Morris koos voor een andere oplossing en Desberg sloeg eveneens andere wegen in. Met de jaren groeide zijn staat van dienst, niet steeds met de grootste succesen, maar vandaag is hij toch een bestsellersauteur met reeksen als De Schorpioen, I.R.$. en Empire USA.


 
06/11
 
 
Brandweerman Étienne Schréder,
van clochard naar topassistent
Hierboven vind je een voorproefje van het vervolg van het Blake en Mortimer-tweeluik De Dertig Zilverlingen. Het album volgt amper een jaar na het eerste album dat na de dood van René Sterne werd afgewerkt door zijn echtgenote Chantal De Spiegeleer. Omdat ze het vervolg niet wilde tekenen, kwam de onbekende tekenaar Antoine Aubin mee aan bood. Ted Benoit had vijf jaar nodig voor het tekenen van De Zaak Franis Blake (ook al op scenario van Jean Van Hamme). Te lang, vond uitgeverij Blake en Mortimer, waarna met André Juillard en Yves Sente een tweede team werd aangetrokken om meer regelmaat te creëren in het uitbrengen van nieuwe albums. Door de herlancering van de reeks raakten namelijk nooit eerder zoveel albums van Blake en Mortimer verkocht, inclusief het mythische album Het Gele Teken dat aan een tweede leven begon.
Voor het vervolg van het tweeluik moest dus snel een opvolger gevonden worden. Uitgeefdirecteur Philippe Ostermann vond in 2008 een project op zijn bureau van Aubin waarvan het onderwerp (het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog) niet overtuigde, maar de tekeningen wel. Buiten een album voor Les Humanoïdes Associés in 2004 en studiowerk voor Disney-tijdschriften als Winnie had Aubin nog niets noemsnwaardigs gepubliceerd. Toch werd hij uitgenodigd om enkele publicitaire tekeningen met Blake en Mortimer te maken. Als test. En hij slaagde.
Eind 2008 aanvaardde hij de voorwaarden om in de herst van 2010 klaar te zijn met het album De Avonturen van Blake en Mortimer 20: De Vloek van de Dertig Zilverlingen 2: De Poort van Orpheus.
Aubin was het kortere werk gewoon. De verhalen voor Disney telden niet meer dan maximum zes pagina's. En effectief, na zes pagina's van Blake en Mortimer, was Aubin al afgemat. Hij besloot dan maar om te stoppen met inkten en zich voorlopig volledig toe te leggen op de potloodtekeningen om zijn motivatie te herwinnen. In maart 2010 had de uitgever door dat de vooropgestelde deadline een utopie is. Maar ze hadden een joker achter de hand: tekenaar Étienne Schréder.

De in 1950 in Anderlecht geboren Schréder zit al sinds zijn veertigste in het vak. Hij is een voormalig criminoloog die vijf jaar lang in het gevangeniswezen heeft gewerkt. Komt het door het leed van de gevangenen dat hij dagelijks moest aanhoren? Feit is dat hij naar de fles greep, in 1980 ontslag nam en een tijdje doorbracht als clochard. Hij vocht terug en greep vervolgens naar de inktfles. Hij schreef zich in 1985 in voor een avondcursus striptekenen met Alain Goffin als docent. Een jaar later kreeg hij voor een van zijn strips een prijs. De voorzitter van de jury was François Schuiten.


In 1989 publiceerde Schréder zijn eerste strips in het tijdschrift (A Suivre) van Casterman waarvoor veel afgestudeerde tekenaars van Saint-Luc tekenen. Een jaar later was hij beroepstekenaar. Hij hielp mee de grafische opzet van de tekenfilm Taxandria van Raoul Servais te ontwikkellen, publiceerde her en der strips (waaronder zijn debuut Het Geheim van Coimbra uit 1994 en Wolven uit 1995 die Arboris ook in het Frans uitbracht), maar toonde zich vooral als een gewaardeerd assistent. Voor Schuitens Echo der Steden verzorgde hij de lettering en trad mee op als verantwoordelijke voor het Autrique-huis van Victor Horta. Voor Bernard Hislaire schoot hij te hulp om de decors te helpen tekenen en de pagina-indeling van Samber 3 uit te werken, hoewel zijn ware hulp vooral van psychologische aard was. Hij monterde de van 's morgens tot 's avonds aan zichzelf twijfelende Yslaire regelmatig op.
Voor Ted Benoit trad hij op als raadgever voor De Zaak Francis Blake en hielp mee aan de decors. Hetzelfde deed hij ook voor het eerste deel van het tweeluik De Dertig Zilverlingen. Voor zijn hulp werd hij vermeld in een rijtje met bedankingen. Voor het vervolg, waarvoor zijn bijdrage van een grotere significante waarde was, staat zijn naam nu vermeld op de cover als cotekenaar. Hij zette namelijk alle decors van plaat 1 tot 29 in inkt en inktte volledig de platen 30 tot 54.
Een ander verschil zat 'm in de samenwerking. Op de kantoren van Dargaud (waarvan Uitgeverij Blake en Mortimer een imprint is) kregen hij en De Spiegeleer een eigen bureau ter beschikking waar ze samen konden werken. Schuiten kwam nu en dan langs om hen te superviseren om nog meer vertraging te voorkomen. Aubin daarentegen heeft Schréder nooit gezien. Hij weet zelfs niet hoe de tekenaar eruitziet, maar dat vond hij niet zo erg. Wel stond hij ervan te kijken hoe nauw zijn werk wel aansluit bij dat van Edgar-Pierre Jacobs. Zijn potloodtekeningen blinken uit in elegantie en precisie.

Ondertussen is geweten dat het Blake en Mortimer-avontuur vervolgt voor alle partijen. Jean Van Hamme liet zich door zijn vrouw overhalen toch nog een nieuw verhaal van de twee Britse helden te schrijven. Antoine Aubin denkt dat hij de klus deze keer in een tweetal jaar (in plaats van veertien maanden) kan klaren. Van Hamme wilde wachten tot volgend jaar om het verhaal te schrijven, maar uitgeefdirecteur Yves Schlirf van Dargaud Benelux, waarschuwde hem ervoor dat de concurrentie nu al aan de mouw van Aubin trekt en dat hij dus best niet zonder werk komt te zitten. Vandaar dat Van Hamme van een verlofperiode van twee weken profiteerde om aan een nieuw verhaal te denken. Het zal verschijnen in 2013, twee jaartjes na het vijfde album van Juillard en Sente dat voor 2011 is aangekondigd.
Schréders wegen leiden eerstvolgend naar Algerije en Cuba. In Algerije wil hij een stripatelier aan een school voor schone kunsten oprichten. In Cuba presenteert hij een album dat is gemaakt door Cubaanse tekenaars die hij begeleidde. Ondertussen houdt hij een half oog op zijn portable. Dargaud heeft namelijk twijfels over de voortgang van een andere tekenaar en heeft aan de tekenaar al voorgesteld om Schréder te laten helpen. De tekenaar weigerde beleefd, maar voor Dargaud is daarmee nog niet de kous af. Schréder heeft zich al lang geschikt in zijn rol als brandweerman. Het langere werk om bijvoorbeeld op zijn eentje een compleet album van Blake en Mortimer te tekenen, ziet hij toch niet zitten.


 
23/10
 
 
Manga: het geile gevaar
Dat manga's er in Europa jaren over hebben gedaan om uit het pornoverdomhoekje te geraken moge bewezen worden door onderstaande artikel van respectievelijk Michel Kempeneers uit het inmiddels verdwenen maandblad Teek en Wim Van Ryckeghem uit de ook al niet meer bestaande krantenbijlage Virus van Het Nieuwsblad.
Dat manga's voornamelijk geweld en erotiek bevatten, was een heersend vooroordeel. De tekst uit Teek is geschreven met dank aan of met behulp van Prof. W. Vande Walle, professor Japanologie en Emmanuel Van Melkebeke, toen eindredacteur van JAMM en thans een van de grote organisatoren van FACTS.
Uit het Teek-artikel zal je onder meer leren dat Mana uit het West-Vlaamse Kortrijk de allereerste Nederlandstalige manga, zijnde Appleseed, op de markt bracht. Toen moest Akira nog menig striplezer verbluffen. En dat was nog maar het begin.
Echt finaal doorbreken, doen manga's vooralsnog niet in onze taalcontreien. In alle ons omringende landen daarentegen vrat het grote hompen van de markt op, hoewel het tij de laatste jaren wat aan het keren is.



 
16/10
 
 
Voorloper Loopgravenoorlog
Onderstaand kortverhaal presenteerde Jacques Tardi begin jaren 1970 aan René Goscinny, toenmalig hoofdredacteur van het Franse striptijdschrift Pilote. Goscinny vond Un Episode Banal de la Guerre des Tranches (Een Banale Episode in de Loopgravenoorlog) echter ongeschikt voor Pilote omdat het te gewelddadig en te antimilitaristisch was. Goscinny keerde zich resoluut tegen Tardi. Er mocht niet gelachen worden met oudstrijders... Maar Tardi tekende het verhaal wèl. Het vond een weg naar het Franse tijdschrift Libération dat het in 1975 publiceerde. Datzelfde jaar verscheen het ook nog eens in het stripmaandblad Charlie Mensuel, een concurrent van Pilote vooraleer beide bladen zouden fusioneren. Het Nederlandse ZozoLala deed de moeite om het te vertalen voor een oud nummer waarin Tardi aan bod kwam.

Eigenlijk vormden de drie pagina's de openingsscène van een langer verhaal over de Eerste Wereldoorlog. In deze platen beschreef Tardi de massahysterie en de euforische sfeer in Frankrijk die ten oorlog wilde gaan. Alleen enkelingen voelden aan dat er een verschrikkelijk drama in de maak was. In (À Suivre) 50 van 1982 kwamen de drie pagina's opnieuw voor in een nieuwe, hertekende versie. Nu niet langer als openingsscène, maar als onderdeel van Loopgravenoorlog als de platen 32, 36 en 37.

Klik op de afbeelding voor een grotere, volledig leesbare weergave.


 
09/10
 
 
De dood van Corto Maltese
Avonturier Corto Maltese ontmoet in 1918, in het nog steeds door de Eerste Wereldoorlog gedomineerde Ethiopië, de kamelendrijver Cush die voor de vrijheid van zijn volk vecht. Met hem kan Corto heel wat gedachten delen. Ondanks hun tegenstellingen komt het tot een vriendschap waarin ze als gelijken tegenover elkaar staan. Het personage Cush duikt later nog op in het eerste album van Hugo Pratts andere grote reeks, De Woestijnschorpioenen, meerbepaald in het verhaal En in Ons Klein Huisje... Uit zijn mond vernemen we dat Corto verdween (zonder vermelding van zijn dood evenwel) tijdens de Spaanse burgeroorlog. De fascistische Italiaanse luitenant Stella en de Pool Koïnsky — in een bepaalde mate de spirituele zoon van Corto — aanhoren deze info.
In het in september 2010 verschenen De Verborgen Geschiedenis 15: De Kamer van Amber tonen Igor Kordey en Jean-Pierre Pécau expliciet wat er volgens hen met Corto is gebeurd in 1937 aan het front bij Barcelona. De auteurs schromen er zich niet voor om hem tegen de muur te zetten en hem te laten afknallen door een executiepeleton, ook al zien we eigenlijk noch het schieten zelf noch het lijk van Corto. Tussen de andere anarchisten wacht Corto statig en gelaten op zijn lot, z'n eeuwige cigarillo rokend. Het is zeker geen heldendood, maar tekenaar Kordey zal vast begrijpen wat de gevolgen van een burgeroorlog kunnen zijn. Hij maakte er zelf een mee in Joegoslavië en zag er verschrikkelijke zaken. Als Kroaat vocht hij actief mee tegen de Serviërs. Een van de resultaten is dat hij nu nog steeds uit het blote hoofd een kalachnikov kan tekenen....
Uiteraard is de visie van Kordey en Pécau op de verdwijning van Corto Maltese slechts speculatie want het betreft een ietwat morbide knipoogje naar de klassieke reeks Corto Maltese.

In 1995 was Pratts landgenoot Vittorio Giardino Kordey en Pécau nochtans voor om Corto's vermoedelijk laatste levensmomenten vast te leggen. (A Suivre) 213 uit oktober 1995 was een speciaal nummer ter gelegenheid van de dood van Hugo Pratt. Giardino tekende onderstaande plaat. Ook hier wordt er niets expliciets in beeld gebacht, maar aannemelijk is dat Corto geëxecuteerd is... al wordt er toch afgevraagd of het wel om de echte Corto ging!


 
02/10
 
 
De divan van Raoul Cauvin
Lees je een naslagwerk of een biografische tekst over Raoul Cauvin dan staat er wel in vermeld dat deze scenarist zijn scenario's bedenkt op de divan. Het is geen mythe, noch overdreven. De divan is een werkelijk middel voor de uitoefening van zijn job. In bijna elke kamer van zijn huis staat een divan of een ander meubel waarop hij languit kan liggen. Hij beweert dat hij enkel kan nadenken als hij kan liggen, met de ogen gesloten. In de reeks Arme Lampil, door en over Cauvin en Willy Lambil, zie je hem vaak genoeg liggen op een divan. Enkele voorbeelden uit het allerlaatste album, deel 7, zie je hiernaast afgebeeld.

Het is ook het moeilijkste gedeelte van het schrijfproces. Uren heeft hij nodig om losse ideeën aan elkaar te puzzelen en in een logische volgorde te plaatsen, allemaal in zijn gedachten. Pas daarna zet hij zich aan zijn bureau om het verhaal volledig uit te schrijven. In eerste instantie tekent hij op twee of drie pagina's 44 minipaginaatjes die hij onderverdeelt in stroken en prenten zoals hij de structuur van het verhaal ziet. Voor een verhaal zoals De Blauwbloezen houdt hij bijna altijd dezeflde logica aan: in de eerste drie pagina's moeten het decor en ook nog eens de verhouding tussen sergeant Chesterfield en korporaal Blutch duidelijk gemaakt worden. Cauvin gaat ervanuit dat nieuwe lezers niet altijd de reeks van nul beginnen te lezen. Voor hen moet het dus klaar zijn dat de ene zo plichtsbewust is als wat en de andere een pure antimilitarist. En dat gebeurt dus elke keer in het begin van het verhaal.

Zijn langere verhalen beginnen vaak met een grote prent. Hij weet niet echt waarom, maar het is handig om de lezer meteen in het verhaal te trekken en een sfeer te creëren. Het gebeurt dat Lambil deze grote prent meermaals hertekend hoewel de eerste versie al in orde is. Na deze fase volgt de hoofdmoot die de kern vormt voor het verhaal: een situatie, een crisis, een element die voor de nodige actie zorgt. Vanaf dan werkt hij zich naar het einde toe.



De dialogen tikt Cauvin vervolgens op de computer in porties van tien tot vijftien pagina's. Zo overziet hij makkelijker of alles klopt. Dezelfde porties tekent hij ook weer uit op een groter formaat. Hij tekent zelf de personages (rudimentair uiteraard) en plaatst de juiste tekstballonnen bij de personages. Af en toe gebruikt hij een kleurtje om het verschil tussen belangrijke personages of een belangrijk element te accentueren. Eens hij alle 44 pagina's heeft uitgewerkt, bezorgt hij ze aan de tekenaar, veelal via fax. Elk van zijn tekenaars hoeft zich niet per se de suggesties van Cauvin voor wat de bleedkadrage betreft aan te trekken, maar meestal volgen ze wel zijn voorbeeld. Mochten er misverstanden zijn of vragen bij de tekenaar (Lambil bijvoorbeeld leest het drie keer opnieuw vooraleer hij zich na et verzamelen van eventueel benodigde documentatie aan het werk tooit), wordt er overlegd. Daarna ziet Cauvin niets meer van zijn verhaal tot alle pagina's zijn getekend.



 
25/09
 
 
De IJstrein door Loisel en Alexis en het vervolg
Het vorige Weetje v/d Week over Hermelijn brengt ons onrechtstreeks bij deze nieuwe wetenswaardigheid over Régis Loisel, al hebben we het in eerste instantie voornamelijk over De IJstrein, onze nummer 10 in de FransenTop.

In 1978 stelde scenarist Jacques Lob aan Loisel voor om De IJstrein te tekenen waar hij net mee begon. Ze kenden elkaar sinds hun publicaties voor Imagine (waarin de eerste versie van Op Zoek naar de Tijdvogel verscheen) in 1975 dat Lob uitgaf in samenwerking met Rodolphe. De twee proefplaten die Loisel tekende, bevielen Lob. Loisel zag het als een grote eer om voor Lob te mogen tekenen. Maar toch weigerde hij het project omdat hij van tevoren wist dat hij geen inspraak zou hebben in het scenario. Bovendien lag het realistische kader en de tekenstijl die daarvoor nodig was hem niet. Omdat het verhaal zich integraal afspeelde in een trein zag hij eerder de beperkingen ervan in om het verhaal boeiend in beeld te brengen. Of het standpunt nu van hier of van daar kwam, in wezen maakte het in die besloten ruimte toch geen verschil uit.

Daarna kwam tekenaar Alexis op het voorplan, maar hij wisselde zeer plots het tijdelijke voor het eeuwige na zestien voltooide pagina's. Je vindt er hieronder twee. Klik erop voor een grotere weergave.


Lob probeerde vervolgens allerlei tekenaars uit. Om verschillende redenen was er geen enkele die hem beviel. Vervolgens kwam Jean-Marc Rochettes Eduard het Zwijn onder de ogen van de scenarist en hij zag daarin aanleg tot het realistisch tekenen. Hij trok zijn stoute schoenen aan en vroeg Rochette of hij het verhaal wilde afmaken. In eerste instantie dacht Rochette dat hij dat niet kan. Realistisch tekenen heeft hij nooit echt gedaan. Hij zei niet meteen ja, maar deed wel een poging. En dat ging redelijk vlot. Het enige waar Rochette wat problemen mee had, was dat het verhaal als het ware achter gesloten deuren afspeelde op steeds eenzelfde plaats. Ook de pessimistische levensvisie was een harde dobber voor de tekenaar. De versie van Rochette week serieus af van die van Alexis die trouwens gedetailleerder tekende. De zoektocht naar een nieuwe tekenaar duurde vijf jaar. Het album is opgedragen aan Alexis.

Er bestaat trouwens een vervolg op De IJstrein in twee delen. Ze zijn alleen nooit vertaald door Casterman. Samen met een herdruk van deel 1 verscheen deel 2 in 1999 en deel 3 in 2000. De albums waren nog steeds getekend door Rochette (die het grijze rastergebruik verving door gewassen inkt) en geschreven door Benjamin Legrand die ook nog De Kakkerlakkenkiller voor Jacques Tardi schreef. Legrand mocht op vraag van Lob in 1984 al aan de slag als scenarioschrijver om het stripscenario te adapteren naar een filmscript want er kwam al vlug interesse uit die hoek. Na een jaar moest Legrand er de brui aan geven door te veel andere projecten en tegelijk was het filmproject opgedoekt. Dat Lob niet zelf het vervolg schreef, is eenvoudig te verklaren: hij was al bijna tien jaar dood. Lob overleed op 24 mei 1990.


In Le Transperceneige 2: L'Arpenteur (te vertalen als De IJstrein 2: De Landmeter) en 3: La Traversée (De Overtocht) gaat het effectief om een tweede ijstrein, de TNP die kleiner was dan de eerste, maar tegelijk de ijsvlakten introk. De scheiding van de klassen blijft gehandhaafd. Men vraagt zich aan boord af waarom er zoveel remoefeningen moeten gebeuren. En er zijn ook vreemde geluiden te horen, signalen van overzee. Op het interne televisienetwerk wordt er met geen woord over gerept. Een sekte aan boord meent ondertussen dat de trein een vliegende schotel is en vindt er niets beter op dan de trein, het laatste restje beschaving, te laten ontploffen.

Er is al enkele jaren sprake van een verfilming door de Zuid-Koreaanse Bong Joon-ho (Oldboy, The Host, Mother) onder de titel Snow Piercer. De regisseur is een grote fan van graphic novels als From Hell en Watchmen en vond een Koreaanse vertaling van De IJstrein uit de jaren 1980 in een boekenwinkel waar hij vaak komt. De producer wordt Park Chan-wook. Door de special effects spoort het richting de duurste Koreaanse film ooit, al zal het toch een internationale productie zijn. De release was voorzien voor dit jaar, maar volgens de laatste berichten start hij (als alles goed gaat) pas in 2011 met de opnames. Hij concentreert zich nu alleszins ten volle op De IJstrein.


 
18/09
 
 
Hermelijn en Samantha Fox
Er was een tijd, toen Régis Loisel en Serge Le Tendre nog moesten doorbreken met Op Zoek naar de Tijdvogel, dat er naast het maken van strips ook nog een job moest uitgeoefend worden om een deftig loon te kunnen verdienen. Zo werkte Le Tendre geruime tijd in een seksshop. Deze job had hij te danken aan Loisel. De tekenaar had namelijk enkele covers getekend voor Richard Fall, een porno-uitgever van magazines en boeken die nu opereert onder de naam Concorde en tegenwoordig ook pornofilms op dvd verkoopt. Loisel heeft nog de lettering geschilderd voor de gevel van zijn seksshop die hij in Parijs opende. Het was slechts de tweede die in de hoofdstad van de liefde werd geopend. In deze winkel kon je Le Tendre achter de kassa treffen van 18.00 uur 's avonds tot 1.30 uur 's morgens. Overdag kon hij wat slapen vooraleer zijn vrienden op te zoeken of om te schrijven. Het was toch beter dan in zijn jongere jaren, nog vóór hij Loisel ontmoette, waarin hij naar verluidt "heel Parijs van marihuana voorzag". Misschien een overdreven uitspraak, maar het klopte wel dat Le Tendre wat bijverdiende met het dealen van weed. Ook Patrick Cothias werkte voor het uitgeverijtje van Richard Fall. Hij schreef één of twee frivole boeken en poseerde zelfs voor naaktfoto's die in het boek moesten komen. Ze werden niet gebruikt.

Le Tendre nam het niet zo nauw met wat voor goed fatsoen moest doorgaan. In de begindagen van zijn carrière vergaarde hij bijvoorbeeld een aardige bibliotheek met boeken over of van Frank Frazzetta, Edmond Dulac (allebei bestemd voor Loisel), Rackham, Heinrich Kley en op een dag een groot boek over Walt Disney. Het minder aardige is dat hij deze boeken vooral pikte uit een boekhandel die nu niet meer bestaat. Vaak stond hij aan Loisels deur met een lange mantel aan en een grote draagtas waarin gestolen boeken staken. Loisel kreeg veel van deze boeken. Voor bezoekjes aan andere vrienden nam Le Tendre andere 'cadeautjes' mee. Twee keer een boek van een Amerikaanse schilder die westernscènes schilderde waren een geschenk voor Michel Rouge (die even in de running was om Op Zoek naar de Tijdvogel te tekenen) en Jean Giraud. Documentatie was duur, maar niet op een dergelijke manier. Nu, de overlevering wil dat Morris ook filmfoto's van westerns uit de plaatselijke bioscoop ontvreemdde als documentatie voor Lucky Luke. André Franquin zou daarbij op de uitkijk gestaan hebben.
Naast boeken stal Le Tendre ook platen, steeds om ze cadeau te geven aan iemand anders. In een kalmere periode stal hij enkel... bloemen. Die gaf hij dan aan de echtgenotes of vriendinnen van vrienden. Loisels vrouw kreeg zo al eens een boeketje die Le Tendre nam van een graf op het kerkhof van Père Lachaise.



Met naakt had het duo persoonlijk geen probleem. Ze namen al eens samen vakantie en trokken prompt naar een naaktstrand. Loisel verbrandde er zijn billen. Le Tendre heeft ze daarna langdurig ingewreven met zalf.

Op signeersessies was Hermelijn het meest gevraagde personage. En natuurlijk moest zij bij voorkeur in haar blootje getekend worden. Dat kon wel, maar voor de stripreeks had Loisel besloten om nooit de blote boezem van Hermelijn (in alle opzichten een maagd!) te tonen om zo nog wat aan de fantasie van de lezer over te laten. Enkel in een interviewboek stond een illustratie, die je hierboven vindt, waarop Hermelijn haar borsten ontbloot. Loisel beweerde dat het niet Hermelijn was, maar zijn fantasy-interpretatie van Samantha Fox. De bekendste van alle page three girls zie je hiernaast en in de vervloeiing op de illustratie. De gelijkenis is inderdaad treffend.

Voor anatomische verhoudingen hadden snoepers Loisel en Le Tendre een collectie Playboys ter beschikking op hun tekenstudio. Die hadden ze te danken aan tekenaar Lacaf die zich tijdens zijn passage in de studio bezighield met de schoonmaak. Terwijl hij dat deed, moest hij commentaren slikken waarin zijn mannelijkheid werd aangevallen. Lacaf werkte 's nachts en 's morgens bij NMPP. 's Morgens roofde hij de vuilcontainers leeg van boekhandels. Specifiek blootblaadjes kwamen zo terecht in het atelier. Met stapels lagen ze in het toilet. Uit hun collectie Playboy haalden ze de posters die in alle hoeken van de muren werden opgehangen. Documentatie! Kitten Natividad, een van de fetisjactrices van filmregisseur en grote borstenliefhebber Russ Meyer, was een favoriet en bood inspiratie voor de welgevormde trekken van Hermelijn. Ze was bovendien roodharig! Klik hier om een foto van haar en voroal haar gewelf te zien.

Toen de Franse Playboy jaren later bij Loisel aanklopte voor een reeks pin-ups van naakte stripheldinnen heeft hij geweigerd, hoewel het zéér, zéér goed werd betaald. Hij wilde trouw blijven aan de spelregels. Het succes van Op Zoek naar de Tijdvogel kwam volgens hem ook doordat niemand Hermelijn naakt heeft gezien. Toch niet in de stripreeks. Onder meer Bernard Yslaire, François Walthéry, Dany en Jean-Claude Mézières gingen wel in op het aanbod van Playboy. Wie Hermelijn toch met blote tetten wil zien, moet het album Striptease (Glénat, 1987) kopen van Roger Brunel.

Hermelijn is geen klassieke babe en Loisel deed het erom. Hermelijns kont hangt wat laag, haar benen zijn nogal kort, de borsten zijn zwaar en haar gezicht heeft wat weg van een apensmoeltje, vooral in de eerste twee delen waarin ze een tikkeltje vulgaire smoel heeft. Loisel weet het aan zijn toenmalige tekentechniek.

In het Frans heet Hermelijn Pélisse, omdat de klank ervan goed in het oor klonk. Voor de kleine anekdote vermelden we nog dat de namen van Pélisse en Javin in al hun kinderlijke vettigheid wel degelijk gekozen waren omdat ze goed leken op "penis" en "vagin" (vagina). En Pélisse is dan ook nog eens de vertaling voor een bontmantel, iets met vacht. Je kan je het gegiechel en gegrol tijdens de brainstormsessies wel voorstellen.

De reeks werd ook in de Verenigde Staten uitgegeven onder de titel Roxanna & The Quest for the Time Bird. In een artikel in het gerenommeerde Comics Journal kreeg het alle nodige lof, maar de recensent besteedde overdreven aandacht aan de borstpartij van Hermelijn (of Roxanna dus) om uiteindelijk af te sluiten met de geruststelling dat er helemaal geen naaktheid in de reeks voorkomt.

Een volgende keer zullen we een ernstiger stuk brengen over Op Zoek naar de Tijdvogel zonder al dat blote gedoe. Beloofd!


 
11/09
 
 
Milo Manara's geschiedenis van de mensheid
Voor ons, filmfreaks, zal de Bolero van componist Ravel wel eeuwig verbonden zijn met de stuntelende poging tot seks in de film 10 met Bo Derek als de perfecte tien. Voor Milo Manara was het een kans om in 1999 te schitteren met een werkelijk prachtig salontafelboek dat de titel Bolero kreeg. Er werden slechts 299 exemplaren (misschien ging er eentje verloren in de drukkerij?) uitgegeven door Edizione Di, allen genummerd en gesigneerd door de Italiaanse meester van de erotiek.

Erotiek komt ook in het boek Bolero voor en ook hardere geweldscènes zoals in Manara's hitserie Borgia. Maar bovenal is het een unieke weegave van de geschiedenis van de mensheid. In 24 stroken zie je tientallen en tientallen mensen van allerlei rassen en volkeren in evenveel verschillende klederdrachten en uniformen door de eeuwen heen passeren. Klik op de afbeelding hierboven om een pdf te downloaden met het integrale boek dat al lang hopeloos is uitverkocht.

Voor wie het allemaal wat rustiger wil bekijken, is aangewezen op onderstaand filmpje. Alle stroken zijn hierin aan elkaar gemonteerd en voorzien van een passende soundtrack... Niet de Bolero van Ravel evenwel, wel met muziek uit Civilization IV en Age of Empires 3 en van The Red Army Choir en Tomoyasu Hotei. Geniet ervan.



 
06/09
 
 
De echte Sam
In 1992 verscheen een speciaal themanummer van TOP over ondernemende meisjes. TOP was een uitgave van Averbode en kon bijgevolg enkel via een schoolabonnement verkregen worden. Op de cover van het nummer van 6 mei 1992 staat het meisje Ines in een outfit en decor die verwijzen naar Jan Bosschaert en zijn stripreeks Sam. Sam is minderjarig, heren. In het TOP-nummer staat nog een interview met Bosschaert. Ook de rest van het gehele nummer is verfraaid met exclusieve tekeningetjes van Sam of die meneer uit Icarus.

Klik op alle afbeeldingen voor een grotere weergave.

En hieronder zie je foto's van de Antwerpse Boekenbeurs van 2008. Voor de lancering van Sam 9, een eerste nieuw album na een lange afwezigheid, zette Standaard Uitgeverij een joviaal ogend, zwartharig meisje een helm op en tooide haar in een werkmanskostuum om haar te laten doorgaan voor de al net zo fraai ogende stripfiguur.
Op de eerste foto zie je haar zitten tussen tekenaar Jan Bosschaert (links van Sam) en scenarist Marc Legendre die je ook nog eens op de foto eronder kan herkennen.