Dit is archiefpagina 3 van de rubriek Klare Taal.

Klik verder naar de volgende updates:
The Boys
Marvels
Local
Dragon Head
DMZ
The Marquis
Mickey Mouse
Captain Biceps
Daytripper
Crossed

 
15/09
 
 
The Boys (besproken door Peter Moerenhout)
Het lijkt erop dat vele goede Amerikaanse comicscenaristen debuteren met één superieure langlopende reeks en nadien devalueren naar korter werk. Kijk maar naar Neil Gaiman (The Sandman), Warren Ellis (Transmetropolitan) of Grant Morrison (The Invisibles). Gelukkig is dat niet zo voor Garth Ennis. Die nam in 2006 Darick Robertson, de tekenaar van Transmetropolitan, onder de arm en begon de reeks The Boys. Een reeks met als bedoeling, zegt Ennis zelf, "To out-Preacher Preacher", zijn eigen doorbraakreeks.

The Boys heeft een even simpele als geniale premisse: Wat als superhelden gecorrumpeerd raken door hun sterrenstatus? In deze serie, die zich afspeelt in een zo realistisch mogelijke wereld, geen Gotham of Metropolis dus, zijn superhelden slechts pionnen van de zakenwereld. Eén groot conglomeraat, Vought-American, ontwikkelde de superhelden ergens rond de Tweede Wereldoorlog en gebruikt ze sindsdien als melkkoeien.

De superhelden in deze reeks zijn volgzame slaafjes van het bedrijf. Die sturen hen op missies die de helft van de tijd in scène gezet worden. Vought-American verkoopt vervolgens comics en allerhande merchandising met de beeltenis van de helden op.

De superhelden verdienen daar een aardige duit aan en hun macht en geld zorgen ervoor dat ze zich gedragen als verwende sterren met alle drank, drugs en seks van dien. Spijtig genoeg is een man met de kracht van tien olifanten die op drugs zit iets gevaarlijker dan de doorsnee singersongwriter met een moedercomplex. Daarom richt de CIA een speciale eenheid op die de superhelden in het oog moet houden en waar nodig moet bijsturen: The Boys.


Deze opzet maakt dat de reeks veel meer is dan de zoveelste superheldenreeks. Eerst en vooral is The Boys een spionagereeks. Aangezien de leden van The Boys niet zo almachtig zijn als de superhelden moeten ze hen op een andere manier onder de duim zien te houden. Ze verzamelen incriminerende of beschamende informatie over de superhelden en chanteren hen daar vervolgens mee. Verborgen microfoontjes, undercoveroperaties, uitlokking: alle ingrediënten van goede spionage kan je ook terug vinden in The Boys.

Ennis mengt ook een hele hoop geschiedenis in de reeks. Het is algemeen geweten dat Ennis een gezonde interesse heeft voor oorlog en hij injecteert een resem echte gebeurtenissen in de wereld van The Boys, maar dan wel met allerlei twists en een afwijkende afloop. De Slag om de Ardennen, 9/11, de Russische maffia, en dergelijke meer worden naadloos in de continuïteit van de reeks verweven.

The Boys is ook een hilarische satire. Ennis bewees reeds met zijn run op The Punisher en reeksen als Adventures in the Riffle Brigade dat hij als geen ander geweld en humor weet te mixen. Als daar nog eens een politieke ondertoon bij komt kijken, zoals in zijn reeksen Dicks en Goddess dan is het hek helemaal van de dam. In The Boys neemt hij de media, de politiek en de zakenwereld zwaar op de korrel. Hij behandelt zaken als omkoperij, verkochte verkiezingen, leugens in de pers en doet dat op een, zelfs voor een superheldencomic, zeer geloofwaardige manier.

Tegelijkertijd is The Boys één langgerekte commentaar op de comicwereld. Lezers van superheldenseries zullen zeer snel merken dat alle superhelden en superheldenteams die in The Boys aan bod komen briljante parodieën zijn op de JLA, The X-Men, Batman en dergelijke meer. Zelfs de vader van het Marvel Comics-universum, Stan Lee, krijgt een opmerkelijke bijrol als The Legend.


Aan Darick Robertson om die zaken geloofwaardig in beeld te zetten. De stijl van Robertson verenigt twee zaken die Scott McCloud in zijn Understanding Comics aan het licht bracht als geslaagde tekentechnieken: hoe realistischer de achtergronden in een comic, hoe geloofwaardiger het geheel overkomt en: hoe cartoonesker de personages, hoe meer de lezer zich met hen kan identificeren.

Robertson lijkt deze theorieën deels te incorporeren in zijn werk. Zijn vliegtuigen, gebouwen en dergelijke meer zijn in een vrij realistische stijl getekend, terwijl zijn personages meer naar karikaturen neigen. Deze aanpak werkt zeer goed en verfrissend, temeer daar zijn personages daardoor ook zeer geloofwaardig kunnen acteren. De overdrijving die dit soort karikaturen in gezichtsexpressie en dergelijke kunnen leggen zijn perfect om de humor van de verhalen van Ennis over te brengen.

Ook zeer lollig is dat een van de personages, Little Hughie, gebaseerd is op de Britse acteur Simon Pegg (Shaun of the Dead, Hot Fuzz en een van de Jansens in de komende Kuifje-film). Dit personage is ook min of meer het belangrijkste personage van de reeks. Hughie is de laatste nieuwe aanwinst van The Boys en tevens een soort van Jan met de pet. Samen met hem ontdekken we hoe de wereld van The Boys in elkaar zit.


Spijtig genoeg heeft Robertson blijkbaar niet de tijd om elke aflevering te tekenen. Zijn invallers (onder andere Peter Snejbjerg en Russ Braun) leveren gelukkig wel steeds uitstekend werk.

De humor in The Boys is van een constant hoog niveau, technisch gesproken dan. Qua ritme, pointe en aflevering zijn de grappen top, maar de onderwerpen zijn vaak van een lager, maar daarom niet minder grappig niveau. De verschillende seksuele exploten van de superhelden, of de zeer expliciete manieren waarop mensen om het leven komen in The Boys zou men als plat of vulgair kunnen bestempelen.

Dat heeft de reeks ook een controversieel randje meegegeven. The Boys startte in 2006 bij uitgeverij Wildstorm. Paul Levitz, toenmalig hoofd van DC, de uitgeverij waar Wildstorm deel van uitmaakte, was al een tijdje bang dat de gebeurtenissen in The Boys hun echte sterren zoals Superman en Batman zou kunnen besmeuren. Toen hij een scène onder ogen kreeg waarin een superheld, ter vermeerdering van zijn persoonlijke seksuele genot, een hamster rectaal inbrengt, mochten Ennis en Robertson hun boeltje pakken. Zij vonden onderdak bij Dynamite Comics waar The Boys de best verkopende serie van die uitgever werd.


Aan al de uitgerukte ruggengraten en superheldensmeerlapperij wordt echter een tegengewicht geboden met oprecht emotionele momenten. De personages uit The Boys worden verliefd, worden verraden, worden kwaad, net zoals wij. Ennis weet perfect de lijn tussen menselijk drama en over the top actie en comedy liggen. Het klinkt raar, maar er zijn momenten waarop je als lezer een steek in het hart voelt om wat bepaalde figuren overkomt.

The Boys is dus een cocktail van een heleboel zaken. Als ook maar één van de ingrediënten naar jouw smaak is dan hoef je niet meer twijfelen om deze reeks op de kop te tikken. Als alle ingrediënten jouw goedkeuring wegdragen, zoals ze dat doen bij mij, dan zit je zelfs gebeiteld voor een zeer interessante en amusante rit.


Favoriete scène
Deze scène uit The Boys bevat heel wat van wat ik besproken heb. Butcher, de leider van The Boys, legt aan Little Hughie uit hoe Vought-American de superhelden gebruikt in comics, we zien twee uitbaters van een comic book-winkel een doorsnee comicfan een veeg uit de pan geven, er zit een kort stukje tussen waarin Ennis een parodie op Batman en Robin weergeeft en een mogelijke seksuele spanning tussen die twee insinueert en vervolgens worden we voorgesteld aan het personage The Legend die dus staat voor Stan Lee.
'Nuff Said!
















Beschikbaarheid
The Boys werd opgezet als een reeks met een definitief einde en enkele spin-offs waarin subplots onder de loep worden genomen. De reguliere reeks zit momenteel aan nummer 58. Ennis zelf zegt dat de reeks ongeveer 72 afleveringen zal tellen. Dat maakt dat het einde van de reeks ergens rond eind 2012, begin 2013 zal liggen.

De reeks werd ook verzameld in enkele paperbacks en hardcovers die ook de spin-offs verzamelen:

Softcover
1. The Name of the Game: The Boys #1-6
2. Get Some: The Boys #7–14
3. Good for the Soul: The Boys #15-22
4. We Gotta Go Now: The Boys #23-30
5. Herogasm: Herogasm #1–6
6. The Self-Preservation The Boys #31–38
7. The Innocents: The Boys #39-47
8. Highland Laddie: Highland Laddie #1-6
9. The Big Ride: The Boys #48-59

Hardcover
1. The Boys: Definitive Edition I The Boys #1-14
2. The Boys: Definitive Edition II The Boys #15-30
3. The Boys: Definitive Edition III The Boys #31-38 + Herogasm

MEER BESPREKINGEN VAN PETER MOERENHOUT: http://petermoerenhout.wordpress.com


 
10/09
 
 
Marvels (besproken door Koen Claeys)
Marvels betekende de grote doorbraak voor zowel schrijver Kurt Busiek (Astro City, The Avengers, Conan,...) als illustrator Alex Ross (Kingdom Come, Justice,...). Het verscheen in 1994, op creatief vlak een desastreuze periode voor de superheldenstrip. Tussen al de bagger die uitgeverij Marvel toen op de markt losliet verscheen deze vier hoofdstukken tellende parel, een strip die thans geboekstaafd staat als een klassieker.

De superheldenfantasieën die Stan Lee samen met Jack Kirby decennia eerder voor de jeugd creëerde, worden hier door Busiek op een uiterst realistische wijze aangepakt. Hoewel het sindsdien nogal wat opvolging heeft gekend, was zijn concept toen uniek: verhalen uit de Marvel-catalogus vanuit het oogpunt van een gewone man.

Centraal staat Phil Sheldon die als jonge freelancefotograaf samen met de inwoners van New York het opduiken van de eerste wezens met superkrachten beleeft. Eerst aan de beurt is de androïde Human Torch die door zijn uitvinder, Phineas Horton, aan het grote publiek wordt voorgesteld. Kort nadien maakt verwondering plaats voor angst wanneer steeds meer roekeloze gevechten tussen deze wezens, met de bijhorende schade, boven de hoofden van de hulpeloze bevolking plaatsvinden.



Verwacht zeker geen klassiek avonturenverhaal. Zo gebeurt het meer dan eens dat we getuige zijn van een stedelijke veldslag. Maar de bewoners van de metropool tasten meestal volledig in het duister naar de motieven van de vechtende partijen. Hoewel dit boek een zeventiental jaar eerder verscheen, deed het me denken aan de feiten van 9/11: uit het niets komende chaos en vernietiging met machteloze toekijkers. Deze incidenten laten de New Yorkers natuurlijk niet onberoerd. Ook bij Phil, als het ware toeschouwer op de eerste rij, heeft het zijn impact: hij focust zijn carrière op deze Marvels (letterlijk vertaald: wonderen), het beïnvloedt zijn privéleven en het duurt niet zo lang voor hij ongewild meer wordt dan een pure observator.



Voor elk hoofdstuk gebruikt Busiek een belangrijke gebeurtenis uit 35 jaar Marvel-verhalen, vanaf de oprichting van de uitgeverij (toen nog onder de benaming Timely Comics) in 1939 tot 1975. Zelf was ik het meest geraakt door het tweede hoofdstuk dat zich focust op de paranoia tegen mutanten. Hierin zien we Sheldon als personage evolueren naar een zelfstandig denker in tegenstelling tot J. Jonah Jameson, zijn jeugdvriend, die als hoofdredacteur zijn krant The Daily Bugle gebruikt als een propagandamachine.



Het volledige boek staat vol kleine en grote verwijzingen naar klassieke Marvel-comics, wat extra leesplezier moet geven aan ware Marvel-fanaten. Busiek heeft zijn huiswerk gedaan, getuige daarvan de opsomming van het bronnenmateriaal achterin het boek. Laat dit je echter niet afschrikken: kennis van die oude comics is absoluut niet nodig om met volle teugen van dit verhaal te genieten.

Wat natuurlijk meteen opvalt wanneer je deze strip in handen neemt, is het schilderwerk van Alex Ross. Elke plaatje op de strippagina's is een uiterst realistisch ogend meesterwerkje. Om dit realisme te verhogen, deed hij de nodige research om het kleinste detail te laten kloppen. Zo worden we ondergedompeld in de tijdsgeest van vier verschillende decennia. Daarenboven maakte hij foto's van poserende vrienden en familie (al dan niet verkleed) en buitenlocaties om te gebruiken als referentie. Fotoreferenties resulteren vaak in stroef tekenwerk, maar dit is bij Ross totaal niet het geval. De dynamiek spat werkelijk van de pagina's. Omdat het verhaal verteld wordt door de ogen van een fotograaf heeft Ross dan ook een goed excuus om te spelen met originele perspectieven.

Mark Braun (ooit striptekenaar en tegenwoordig uitgever van tijdschriften) stond meerdere keren model voor de comics van Alex Ross. Hiernaast poseert hij voor het hoofdpersonage uit Marvels, Phil Sheldon.

In 2008 leverde Kurt Busiek een vervolg: Marvels: Eye of the Camera, weliswaar zonder medewerking van Alex Ross. Hierin beleven we alles vanuit het perspectief van een ondertussen gepensioneerde Phil Sheldon. Waarschijnlijk kreeg het door die afwezigheid van Ross (waardig vervangen door Jay Anacleto) niet dezelfde aandacht als het origineel ondanks de lovende kritieken die het te beurt viel.

Marvels telt 248 pagina's en is meerdere malen uitgegeven in zowel softcover als hardcover. Voor de tiende verjaardag bracht Marvel een buitenmaatse hardcover uit vol bonusmateriaal.


 
01/09
 
 
Local (besproken door David Steenhuyse)
Dit is niet de eerste keer dat een strip van scenarist Brian Wood in deze rubriek wordt voorgesteld en het zal zeker niet de laatste keer zijn. Mijn eerste kennismaking met Local gebeurde op de vlakte en in de verte toen de gebundelde editie van de twaalf verschenen comicdeeltjes als nummer 497 in De Grenzeloze Top 500 opdook. Inmiddels verduidelijkte de lezing van het dikke album dat deze positie veel te laag is, maar dat geldt voor wel meer anderstalige strips in onze toplijstjes.



Voor de schrijver van Northlanders, DMZ en Demo is Local Woods meest realistische serie, en eigenlijk ook wel zijn beste. Het begint allemaal in 1994 in Portland, Oregon, met Megan McKeenan die in drie verschillend uitgewerkte situaties een apotheker bezoekt om met een vals voorschrift drugs te scoren voor haar verslaafde vriendje. De climax voor elk van de situaties loopt op een ontgoocheling uit. In een vierde situatie verlaat Megan haar vriendje en vraagt aan de apotheker de weg naar het treinstation. Vanaf dan wordt het decor in elk van de afgeronde comicdelen verlegd naar een andere stad in de Verenigde Staten of ook Canada. Er ligt telkens één jaar tussen de verhalen.



De lezer ondervindt dat elke keer het Megan een beetje voor de wind lijkt te gaan er altijd wel iets in haar omgeving of uit haar verleden haar streepje geluk doet verdampen. En dan vlucht ze daar voor, weer naar een andere stad waar ze een andere baantje uitoefent en al eens een vrijer heeft. Een kamergenote in New York is een obsessieve neuroot die er strenge eisen en regels op nahoudt. Als Megan voor een paar dagen op het appartement moet passen, wordt ze geconfronteerd met een oerwoud aan post-its om haar te wijzen op vanalles waar ze mee rekening dient te houden. Over dat gedrag maakt ze haar beklag in het café waar ze achter de bar staat. Tijdens de afwezigheid van haar kamergenote, stelt een collega van de neuroot zich na zo'n klaagzang voor. Hij vertelt haar dat haar kamergenote haar "really nice" vindt. Megan staat perplex. Ontbreekt het haar aan mensenkennis en empathie? Is ze te egocentrisch? Of weet ze gewoon helemaal niet waar zij in het leven staat? Duidelijk dat laatste. Met de geëtaleerde zelfkennis is ze er nog lang niet. Waar dan? Exactly!



Zelfs in de paar verhalen waarin Megan niet de hoofdrol speelt (bijvoorbeeld over haar delinquete neef of in een diner langs de weg waarin een man wraak neemt op zijn denigrerende broer) krijg je nog steeds de indruk dat Megan onderweg blijft. Zij is zoekende. Vanaf het negende hoofdstuk, waarin de relatie met haar ouders wordt uitgespit, ziet het ernaaruit dat er een bepaalde richting in haar leven komt. Ze is ondertussen al een dertiger en ze heeft door alle omstandigheden aan maturiteit gewonnen. Maar enkel door zich (noodgedwongen) te settelen, begint het haar te dagen dat keuzes maken — ook foute — bij het leven hoort. Zij kreeg van haar moeder een groot cadeau waar ze aanvankelijk mee worstelde omdat het haar niet in liefde werd gegeven: vrijheid.



Bij het einde begon het mij te dagen dat — en hier past geen spoiler bij want het is een persoonlijke mening — content zijn niet moet onderdoen voor gelukkig zijn. Content zijn met je leven, content zijn met jezelf, content zijn met gemaakte keuzes die een positieve uitkomst geven. Megan heeft er bijna het hele noorden van de VS voor moeten doorkruisen om uiteindelijk thuis te vinden wat ze zocht. Net op die plaats die ze als kind vele malen dreigde te verlaten en het op een dag effectief deed.

De extra aantrekkingskracht voor Local levert tekenaar Ryan Kelly. Met zijn lekker zwierige penseellijn en zinderende zwart-witpalet geeft hij kleur aan de lotgevallen van Megan. Wat hierbij opvalt, is het spontaan ogende gebruik van plakrasters zonder dat deze overheersend zijn. Ze zijn aangebracht op een gelijke manier als een inkleurder schaduwen op gezichten, dimensies in achtergronden en sfeer in ruimtes schildert. Maar bovenal is Kelly een inzichtrijke tekenaar die intelligent omspringt met close-ups, gezichtspunten (zelfs vanop de rug gezien, zijn de emoties van een personage duidelijk af te lezen) en rustmomenten. Zoals het achteraan in de extra's ergens wordt vermeld, weet Kelly hoe hij stiltes zijn tijd kan laten duren. Een zeldzaamheid, want in de meeste gevallen verhogen lezers automatisch hun leestempo als er minder tekst op een pagina voorkomt. De meeste striplezers laten hun ogen veeleer van tekstballon naar tekstballon glijden zonder al te veel stil te staan bij de tekeningen, 't is proefondervindelijk onderzocht door artiesten als Régis Loisel en Christophe Arleston.

En toch lezen de 318 strippagina's extreem vlot. Er volgen daarna nog een zestigtal extra pagina's met een covergalerij, losse illustraties, tekeningen van gasttekenaars, essays en terugblikken van beide auteurs over de evolutie van en beschouwingen op hun beider werk aan Local. En laat ik er maar meteen bij zeggen dat Local een hoogtepunt in hun œuvre is.

De twaalfdelige comicreeks Local is als een luxueus uitgevoerde hardcoverbundel met linnen rug uitgegeven bij ONI Press.


 
25/08
 
 
Dragon Head (Doragon Heddo)
(besproken door Jeroen François)
De angst voor natuurrampen heeft er bij de Japanners al altijd ingezeten. Getuige hiervan zijn de vele rampenfilms- en manga's. Dragon Head van Minetaro Mochizuki is hier een goed voorbeeld van. Toen ik eerder dit jaar de schokkende tv-beelden van de verwoestende aardbeving in Japan zag, moest ik onmiddellijk aan deze strip denken.

Dragon Head begint wanneer de tiener Teru na een schoolreis met de trein naar Tokyo terugkeert. Maar in een tunnel ontspoort de trein om onbekende redenen. Teru overleeft de crash, samen met een andere jongen, Nobuo en een meisje, Ako. Tot hun ontzetting ontdekken ze dat beide uitgangen van de tunnel ingestort zijn. Alle communicatie met de buitenwereld is verbroken en tevergeefs wachten ze op de reddingsteams. Wat is er in hemelsnaam gebeurd? Vaag herinnert Teru zich een lichtflits vlak voordat de trein de tunnel binnenreed. In het pikkedonker verliest de doodsbange Nobuo zijn verstand en vormt zo een bijkomende bedreiging voor Teru en Ako.

 
AKO EN TERU

Wanneer Teru en Ako aan Nobuo kunnen ontsnappen en via een luchtkoker toch uit de tunnel geraken, komen ze terecht in een totaal verwoeste wereld. Met mondjesmaat komen ze andere overlevenden tegen, de ene al wat hulpvaardiger dan de andere. Teru en Ako besluiten richting Tokyo te trekken. Het wordt een tocht vol met hindernissen. En in de Japanse hoofdstad staan hen nog verrassingen te wachten…

Minetaro Mochizuki maakte een spannende strip met een psychologische inslag. Hoe reageren mensen in extreme omstandigheden? Nobuo verliest zijn zinnen in de donkere tunnel. Nimura, een militair die Teru en Ako onderweg tegenkomen, reageert alsof de verwoestingen hem eigenlijk helemaal niets doen, maar ook hij is doodsbang. En in Tokyo komen ze mensen tegen die helemaal geen angst kennen door een specifieke oorzaak die ik niet ga verklappen. En dat heeft ook zijn weerslag op hun handelen. Angst en hoe ermee om te gaan is dan ook het hoofdthema van deze strip.

 
NOBUO VERLIEST ZIJN VERSTAND IN DE DONKERE TUNNEL

De eerste drie delen van Dragon Head die zich in de tunnel afspelen zijn werkelijk ijzersterk en geenszins geschikt voor mensen die aan claustrofobie lijden. Mochizuki brengt de angstaanjagende duisternis zo overtuigend in beeld dat ik kort na het lezen van die eerste delen me toch niet echt op mijn gemak voelde telkens mijn trein 's morgen de tunnel naar station Brussel-Centraal binnenreed. Alleen al voor die beklemmende sfeer is Dragon Head het lezen meer dan waard. Nadat Teru en Ako de tunnel verlaten hebben, boet het verhaal wat aan kracht in en wordt het af en toe wat langdradig. Toch blijft Dragon Head tot het einde een interessante reeks. Teru en Ako wisselen elkaar af als hoofdrolspeler. Eerst neemt Teru Ako op sleeptouw. Maar wanneer Teru doodziek wordt, gaat Ako op zoek naar geneesmiddelen. Later volgen we weer Teru die noodgedwongen op zijn eentje Tokyo probeert te bereiken. Door deze verschuivingen zorgt Mochizuki voor de nodige afwisseling in zijn vertelling.

 
VAN TOKYO BLIJFT NIET VEEL MEER OVER NA DE RAMP

Over het tekenwerk heb ik wat gemengde gevoelens. Mensen tekenen is niet echt de specialiteit van Mochizuki. Vooral die kikkerogen storen nogal. Maar voor de rest zijn de tekeningen erg gedetailleerd en verzorgd. Mochizuki is erin geslaagd het verwoeste Japan erg geloofwaardig in beeld te brengen. En die verwoesting is werkelijk totaal, met aardbevingen, tsunami's, vulkaanuitbarstingen en gigantische stofwolken. Over de werkelijke oorzaak van de ramp komen we echter niets te weten. Maar zo belangrijk is dit ook niet en dit draagt bovendien bij aan de mysterieuze sfeer die rond deze strip hangt.

 
EEN ALLES VERWOESTENDE TSUNAMI

Minetaro Mochizuki schreef en tekende Dragon Head tussen 1995 en 2000. De reeks bestaat uit tien delen, in het Engels uitgegeven door Tokyopop (niet meer zo gemakkelijk te vinden) en in het Frans door Pika, die de reeks dit jaar opnieuw uitbrengt — vijf delen zijn er momenteel verschenen, de rest zal snel volgen. Dragon Head werd in 2003 verfilmd door Jôji Iida. Een wel heel vrije bewerking die helemaal niet kan overtuigen. Te vermijden dus. Lees liever de strip.

 
BEELD UIT DE VERFILMING


 
12/08
 
 
DMZ (besproken door Peter Moerenhout)
In de jaren 1990 kwamen bij uitgeverij Vertigo tal van reeksen uit die meer te bieden hadden dan entertainment alleen. De makers ervan hadden iets te zeggen. De thema's varieerden van politiek (Transmetropolitan), levensstijl en filosofie (The Invisibles) tot mentale gezondheid (Shade The Changing Man), maar ze hadden steeds één ding gemeen: ze brachten de lezer iets bij. De laatste tijd bracht Vertigo kwalitatief zeer goede reeksen uit die echter dat schepje maatschappijkritiek ontbeerden, Y: The Last Man misschien buiten beschouwing gelaten. En dan was daar plots, in 2005, DMZ.

DMZ is een atypische comic, de forte van Vertigo, in die zin dat de makers de Amerikaanse politiek en het bedrijfsleven zwaar op de korrel nemen. Transmetropolitan had een gelijkaardige invalshoek, een journalist die wanpraktijken aanklaagt, maar die reeks werd gepubliceerd in een tijd dat kritiek op Amerika niet echt zo'n groot punt was. DMZ debuteerde echter in 2005, nog geen vier jaar na 9/11, in een tijd waarin de minste twijfel aan de Stars and Stripes je onder verdenking van landsverraad kon plaatsen (bij sommige mensen toch). DMZ staat voor Demilitarized Zone, een soort niemandsland tussen twee mogendheden die in oorlog zijn, het front als het ware. Het originele aan deze reeks is dat die zone in dit verhaal de stad New York is.


Het conflict waar het in deze reeks om draait is een tweede Amerikaanse burgeroorlog. De aanleiding daarvan is dat in de nabije toekomst een hele hoop Amerikanen de buitenlandse politiek van hun land beu zijn. Het continue oorlogvoeren en het zich bemoeien met elke kleine brandhaard waar eventueel economische belangen op het spel staan en de daaraan vasthangende menselijke en financiële verliezen hangt vele burgers de keel uit. Langzaam maar zeker ontstaat er een protestbeweging die begint aan een campagne om een stuk van het land af te scheuren. De meesten onder hen zien die actie als iets symbolisch maar doordat het grootste deel van het officiële leger in het buitenland op missie is, wint de beweging, de Free States genaamd, aan terrein. En plots wordt het bittere ernst. Net voor New York worden de Free States tot staan gebracht en wat volgt is een patstelling met Manhattan als inzet.

Het verhaal begint wanneer Matthew (Matty) Roth als stagiaire fotografie mee mag met een bekende oorlogsfotograaf om een reportage te maken over de DMZ. De helikopter waarmee ze daarheen vliegen, wordt echter aangevallen en stort neer. Matty raakt gescheiden van de rest en gaat ervanuit dat hij de enige overlevende is. De eerste reflex van Matty is om zo snel mogelijk weer naar thuis te raken. Hij spreekt af met het nieuwsnetwerk waar hij voor werkt dat ze hem zullen oppikken zodra dat mogelijk is. In de DMZ ontmoet hij echter Zee, een kranige inwoonster van het rampgebied. Zij helpt Matty om naar het extractiepunt te gaan waar hij zal worden opgepikt.

Op weg naar daar merkt Matty dat de DMZ iets helemaal anders is dan wat hij tot dan toe door de media werd wijsgemaakt. De reguliere Amerikaanse media heeft het steeds over rebellen en opstandelingen die daar zouden ronddwalen. Het tegengestelde is waar. Het blijkt dat de evacuatie van de stad indertijd zeer slecht verlopen is wat maakt dat er zich nog heel veel gewone burgers op het eiland bevinden. Omdat er door beide zijden van het conflict getwijfeld wordt aan hun loyaliteit en ze dus geen kant opkunnen, of ook omdat ze zelf geen kant willen kiezen en hun stad niet willen verlaten, blijven ze in de DMZ wonen.


De media en de overheid liegen de mensen voor om hun eigen acties te vergoelijken en hun fouten toe te dekken. Op dat ogenblik beslist Matty om in de DMZ te blijven en om, als enige reporter ter plaatse, de waarheid voor te schotelen aan de rest van de wereld. Die waarheid is soms gigantisch hard. Matty krijgt te maken met zelfmoordterrorisme, met fascistische groeperingen die in de DMZ opereren, met oorlogsmisdaden, met corrupte bedrijven die nu al vechten om het contract om de stad weer op te bouwen na de oorlog, en meer van dat fraais.

Wat opvalt, is hoe goed onderbouwd deze verhalen zijn. Brian Wood, de schrijver, neemt geen blad voor de mond en af en toe ervaar je als lezer zelfs een een déjà vu-ervaring. Wood baseert zich nogal veel op bestaande gebeurtenissen en schandalen, al kleedt hij de verhaallijnen die hij uit de realiteit gehaald heeft natuurlijk net dat beetje anders aan.

Gelukkig zien we ook heel wat moois. Tussen de grote verhaallijnen door focust de reeks op de mensen die in de DMZ trachten te overleven. Zo zijn er verhalen over een Banksy-achtige straatkunstenaar die ondanks alles de mensen een positief gevoel wil geven, over mensen die groentetuintjes beginnen op de daken van appartementen en over een man die als missie heeft zoveel mogelijk kunst te redden uit de musea van New York.

Er wordt niet altijd gefocust op diepmenselijk drama, de reeks zit boordevol actie, ontploffingen en oorlogsgeweld, dus er is voor elk wat wils. Tekenaar Riccardo Burchielli zet al deze scènes op flitsende wijze neer. Hij werd door Brain Wood en de redacteur van de serie gekozen om zijn rauwe stijl die aan street art doet denken. Gelukkig kan de man ook de intimistische scènes aan. Zijn personages geven overtuigende vertolkingen ten beste. Of het nu gaat om wanhoop of een sprankeltje vreugde: Burchielli weet steeds de juiste toon te treffen. En dan te weten dat dit 's mans eerste grote stripreeks is.


Die treffende tekenstijl is een zeer belangrijk gegeven voor de reeks. Naast het politieke gekonkel en de maatschappijkritiek zijn immers vooral de relaties tussen en de ambities van de personages belangrijk. "Is dat niet voor elk verhaal zo?" denkt de oplettende lezer. Ik zeg: "Ja, maar stap eens de gemiddelde bioscoopzaal binnen of sla de gemiddelde strip open en je zal zien dat niet iedereen die mening toegedaan is.

Hoofdpersoon Matty maakt ook een heel interessante ontwikkeling door. Het is lang geleden dat ik een personage nog eens op zo'n ingrijpende en overtuigende wijze heb zien evolueren. De transformatie die Matty doorgaat, van naïeve adolescent tot... iets helemaal anders is in alle opzichten extreem: extreem geloofwaardig, extreem verregaand en extreem diepgaand. Hij zit natuurlijk ook in een extreme situatie.

Voor Brain Wood is dit niet zijn proefstuk. De man heeft al heel wat reeksen geschreven waarvan steeds de karakterontwikkeling centraal stond. Demo, The Couriers en Supermarket zijn daar voorbeelden van. Wat in elke reeks, en ook in DMZ, centraal staat, is zijn wil om verder te gaan dan de doorsneeschrijver in het propageren van zijn denkbeelden en zijn feel voor de counter culture.


DMZ kunnen we zijn grote doorbraak noemen, zijn voorgaande reeksen kwamen allemaal uit bij kleinere uitgeverijen. Naast DMZ schrijft hij voor Vertigo ook een reeks over Vikings, Northlanders die evenzeer aan te raden valt. Beide reeksen staan op het punt af te lopen maar Wood verzekerde zijn publiek dat hij bezig is aan enkele nieuwe series.

Ondanks de Amerikaanse invalshoek is DMZ een zeer begrijpelijke reeks voor ons Europeanen. Daarbij komt ook nog eens dat wat Amerika doet ons eveneens aanbelangt. De reeks bezit alle ingrediënten om de Canvas-kijkers onder ons tevreden te stellen, maar tevens ook genoeg elementen om de liefhebbers van een spannende politieke actiethriller of oorlogsreeks op hun wenken te bedienen. Meer nog: ik beschouw DMZ nu al als een klassieker. Ik durf zelfs meer zeggen: reeksen als dit zijn gewoon nodig.


Favoriete scène
Het gerucht doet de ronde dat er een Special Forces Commando gedeserteerd is en zich gevestigd heeft in Central Park. Daar ontfermen deze kerels zich over de dieren die daar in de dierentuin leven en over de weinige natuur die er nog over is.

Matty Roth gaat op onderzoek uit en plant een reportage over deze 'Ghosts'. De eindscène van dat verhaal (opgelet: spoilers!) balt alles wat deze reeks zo speciaal maakt: emotie, actie en een kritisch angeltje...













Beschikbaarheid
Geen zijprojecten, spin-offs of dergelijke meer. Gewoon 72 delen van 22 pagina's. Rechttoe, rechtaan, zo hebben we het graag. Het laatste deeltje staat gepland voor december 2011.
De reeks werd verzameld in bundels waarvan deel elf en twaalf nog moeten verschijnen.
• vol. 1: On The Ground: DMZ nrs. 1-5
• vol. 2: Body of a Journalist: DMZ nrs. 6-12
• vol. 3: Public Works: DMZ nrs. 13-17
• vol. 4: Friendly Fire DMZ nrs. 18-22
• vol. 5: The Hidden War: DMZ nrs. 23-28
• vol. 6: Blood In The Game: DMZ nrs. 29-34
• vol. 7: War Powers: DMZ nrs. 35-41
• vol. 8: Hearts And Minds: DMZ nrs. 42-49
• vol. 9: M.I.A.: DMZ nrs. 50-54
• vol. 10: Collective Punishment: DMZ nrs. 55-59
• vol. 11: Free States Rising: DMZ nrs. 60-65
• vol. 12: The Five Nations of New York: DMZ nrs. 66-72

MEER BESPREKINGEN VAN PETER MOERENHOUT: http://petermoerenhout.wordpress.com


 
05/08
 
 
The Marquis (besproken door Arnaut Capiau)
Toen ik voor het eerst de tekeningen zag van Guy Davis was ik geen fan. Erg krasserige lijnen, geen volle zwarte schaduwen, meestal lelijke personages,... Het is zeker geen stijl die je mooi kan noemen. Maar smaken veranderen, en na een zekere tijd, een gewenning aan prenten, tekenaars en stijlen die afweken van wat ik toen als de norm beschouwde, begon ik een zekere waardering voor zijn tekenstijl en vakmanschap te ontwikkelen.

(afbeelding uit Sandman Mystery Theatre)

Twee werken waren daarbij doorslaggevend, en een daarvan is The Marquis. Voor de volledigheid: het andere is Baker Street, later omgedoopt tot Honour Among Punks. Maar die titel is voor een andere keer.


Waar Davis absoluut in uitblinkt, zijn monsters. Monsters van het soort met gapende muilen, ledematen in onmogelijke posities, builen, zweren en lederachtige huid en veel, maar dan ook veel te veel tanden. Niet toevallig dat het zwart-witmeesterwerk The Marquis uitpuilt van die lelijke gevallen. En precies daarop viel mijn oog: een verhaal over monsters hoeft geen mooie setting te hebben, of zelfs knappe personages, integendeel.


In The Marquis word je naar een fictieve, vroegtechnologische wereld getransporteerd. Een soort achttiende-/negentiende-eeuws Venetië zoals Venetië nooit was. Iedereen is er uiterst godsvruchtig want als men wil zondigen, kan dat zonder enige schroom in speciale 'Houses of Decadence' waar iedereen de karakteristieke maskers draagt om de anonimiteit te bewaren. In deze vreemde wereld krijgt The Marquis Vol de Galle bizarre visioenen van monsters die hem van alle kanten belagen. Hij ziet ze enkel als hij zijn masker draagt. Ze veranderen blijkbaar terug in gewone mensen eenmaal hij de monsters gedood heeft met zijn Victoriaanse Gattling... Ja, dat heb je goed gelezen.


Is Vol de Galle gek? Of is hij inderdaad de enige die de waarheid ziet voor wat ze is? The Marquis slaagt er wonderwel in om deze onzekerheid heel lang in het midden te laten en de lezer blijft zelf zoeken naar aanwijzingen: demonen of krankzinnigheid?

Guy Davis bereikte vooral het toppunt van zijn kunnen door de Hellboy-spin-off B.P.R.D. Als geen ander hielp hij het hele Hellboy-universum verder uitbouwen, en zorgde er zo voor dat de spin-off vaak beter was dan de hoofdtitel. Daardoor had hij uiteraard geen tijd meer om het verhaal van The Marquis (dat een totaal van vijf boeken zou moeten worden) verder te tekenen. Ondertussen is Tyler Crook Davis' vervanger voor B.P.R.D. en mogen we aannemen dat de volgende Marquis-volumes binnenkort volgen. Laat het je smaken.



Momenteel zijn er twee boeken van The Marquis verschenen, eerst bij Oni Press en een tweede keer in één volume bij Dark Horse.


 
29/07
 
 
Mickey Mouse (besproken door David Steenhuyse)
Voor het slapengaan — en dat is bijna dagelijks extreem laat — probeer ik dezer dagen een paar oeroude Mickey Mouse-tekenfilmpjes mee te pikken. Omdat Disney het vertikte de collectie Disney Treasures (de dvd's in blikken verpakkingen) nog langer uit te brengen in een Nederlands omkaderde uitvoering, diende ik mijn met de jaren aangezwollen Disney-tekenfilmcollectie via andere wegen aan te vullen. Dat gebeurde per toeval in het buitenland. De dvd's met alle zwart-witfilmpjes van Mickey Mouse vond ik in Monaco.

Wat me frappeert aan deze oerversie is dat Mickey toen een veel interessanter personage was dan nu het geval is als saaie vaandeldrager van de Disney-industrie. Mickey was toen nog een doodgewone ziel, dikwijls wonend op een boerderijtje en muzikaal erg begaafd. De soundtrack bestond niet uit klassieke muziek uitgevoerd door een symfonisch orkest, maar uit populaire deuntjes die ook jij en ik meer dan tachtig jaar na datum moeiteloos kunnen nafluiten. De muziekinstrumenten waren vaak dezelfde die Mickey en zijn vele vrienden gebruikten in de filmpjes: potten en pannen, wasborden, lepels, een viool of een piano.

Een stadsmuis was hij allerminst. In deze filmpjes gedroeg hij zich wel eens boertig en vulgair. Animator Ub Iwerks tekende 'm vaak genoeg — en zeker in de vroege jaren 1930 — spuwend. Met welgemikt speeksel kon bijvoorbeeld een extra toets op de piano aangeslagen worden. Omdat het nog de eerste jaren waren van films met een geluidsband, een uitvinding waarin Walt Disney pionierde en die hij heeft helpen populariseren, waren de filmpjes kleine musicals. Veel dialogen kwamen er amper aan te pas. Gelukkig maar, want de door Walt ingesproken stem voor Mickey klonk scherp en irritant.

In 1930 vroeg een medewerker van King Features om een krantenstrip van Mickey Mouse. De tekenfilmmuis was al een fenomeen. Vandaag behoort hij trouwens beslist tot de bekendste figuren uit de twintigste eeuw, fictief en historisch bij elkaar. Die strip kon. Iwerks en Disney maakten die samen. Er volgden achttien verhalen die gebaseerd waren op de tekenfilms. In mei 1930 werd Disney-medewerker Floyd Gottfredson ad interim aan de strip gezet in afwachting van een andere opvolger voor Win Smith die de krantenstrip inmiddels had overgenomen. Maar er werd niet gezocht naar een opvolger. Gottfredson was de nieuwe Mickey Mouse-tekenaar in een lopend verhaal dat door Walt Disney himself was begonnen. Deze job hield Gottfredson vol tot zijn pensioen... in 1975! Hij wordt daarom wel eens de tweede vader van Mickey Mouse genoemd en da's geen woord gelogen.

Onlangs gaf Fantagraphics het eerste deel uit van een ambitieus opgezette, chronologische bundeling van alle Gottfredson-strips van Mickey Mouse. Het is de eerste deftige onderneming voor een integrale editie. Deel 1 telt 288 pagina's en omspant de periode april 1930 tot maart 1932. In deze periode verschenen veertien verhalen van variabe lengte die enkele tot enkele tientallen pagina's konden duren. Ze volgden elkaar netjes op of vloeiden op een natuurlijke manier in elkaar over. De verhalen waren min of meer een studioproduct waarbij Gottfredson soms zelf het verhaal schreef of dat door Disney liet doen. Het inktwerk gebeurde dikwijls door anderen van wie Al Taliaferro in deze prille periode de bekendste is. En soms scheef Gottfredson enkel het verhaal.


Deze eerste bundel bulkt uiteraard van de achtergrondartikels en analyses met uniek beeldmateriaal, maar liefst tachtig pagina's in totaal. Dergelijke aanpak apprecieer ik al in de vele Franstalige integrales waar vooral Dupuis de laatste jaren in uitmunt. Maar aan zo'n geschiedenislesjes heb je niets als je de reeksen of de verhalen niet kent of lust. Na lange twijfel kocht ik dan toch deze mooi uitgevoerde bundel, goed voor dagen leesplezier. De uitstekende reputatie van Fantagraphics kende ik al dankzij de chronologsiche uitgave van Peanuts die nu bij Silvester in het Nederlands verschijnen. Maar ik wilde ook wel eens weten waar André Franquin, Albert Uderzo en andere Europese coryfeeën de mosterd haalden. Zij noemden in interviews specifiek Gottfredson als een auteur die hun eigen werk heeft beïnvloed.



Gottfredsons eerste verhaal, Mickey Mouse in Death Valley, was meteen een toonbeeld van het grote avontuur waarin ook Carl Barks met zijn Donald Duck- en Dagobert Duck-verhalen in zou excelleren. Mickey's vriendinnetje Minnie erft van haar oom Mortimer (de naam die Walt eigenlijk aan Mickey wilde geven) een huis. De advocaat die met haar erfenis is belast, probeert haar te overhalen het zogezegd waardeloze huis aan hem te verkopen. De mysterieuze Fox laat via een briefje aan Mickey weten dat Minnie beslist niet mag verkopen. Maar de advocaat probeert Mickey buitenspel te zetten. Het is de aanleiding tot een heleboel complicaties met schurken, achtervolgingen, thrillermomenten en komische intermezzo's. Op een bepaald punt in het verhaal vlucht Mickey te paard en moet in het wilde westen een gevaarlijke rivier zien over te steken. Als hij dat niet doet, valt hij in handen van een posse die hem verkeerdelijk voor een crimineel aanziet. Zijn problemen zijn talrijk: zijn onschuld proberen te bewijzen, een goudmijn uit handen van zijn belagers houden en Minnie uit de gevangenis redden. Maar eerst moet hij aan een donderende waterval ontkomen. Soit, allerlei verwikkelingen en avontuurlijke kantelmomenten troef dus, ogenschijnlijk à l'improviste geschreven zoals ook de oude Nero's tot stand kwamen. En dat zet zich ook door in de overige verhalen.

De avonturen die Mickey dichter bij huis beleeft, in en rond zijn schamele hut, kennen even veel humor als spanning. In Mickey Mouse, Boxing Champion bijvoorbeeld traint hij een klungelende bokskampioen. Zijn uitdager is een vervaarlijk individu waar Mickey's poulain plots voor gaat lopen. Nu moet hijzelf de ring instappen. Dat boksen een uitermate populaire sport was in de jaren 1930 zagen we ook al tot uiting in verschillende verhalen van Robbedoes.



High Society
, waarin Mickey en een vriend, een voormalige boef, even van de geneugten van de hogere kringen mogen genieten, is een speciaal verhaal. Niet zozeer omdat Mickey uitlegt wat een gigolo is (waarop zijn vriend zich openlijk als gigolo verhuurt op een mondain feestje), maar omdat het als promotie diende voor een zogezegde foto die je van Mickey kon bekomen. Al wat de krantenlezer hoefde te doen was een briefje schrijven naar de kranten waarin Mickey's avonturen verschenen. Walt Disney verzocht Gottfredson achteraf om dat niet meer te doen want er kwam volgens een persbericht uit die tijd een berg van meer dan twintigduizend brieven binnen.



De tekeningen zijn nog wisselvallig van kwaliteit. Anatomie, afwerking, onderlinge verhoudingen, het weergeven van expressies en een oog voor detail varieert van pagina tot pagina en van verhaal tot verhaal. Door het afwisselen van medewerkers komt er maar geen lijn in de tekenstijl van de eerste verhalen. Meer naar het einde van deze eerste bundel verbetert dat wel en wint het aan souplesse. Maar bovenal is er de sfeer: gay en merry in de oude betekenissen van het woord, spontaan, vlot, vrolijk en vrij. Voor het krantenpubliek golden andere regels dan voor de stripweekbladen die vaker waren bestemd voor kinderen. Dat betekende dat Gottfredson minder met censuur te kampen had. Oplawaaien, pandoeringen en andere uitingen van geweld konden best, zolang het maar geen constante werd. Naar een geweer grijpen kon ook. In deze strips leren we Mickey dan ook kennen als een kordate, recht voor de raapse held die zich niet zoals in de tekenfilms met muziek moest uitdrukken. Zijn mondje roert hij veelvuldig en dat brengt hem vaak in een lastig parket. Of het de uitgever nu ook lukt om ongecensureerd alles te kunnen publiceren, is bang afwachten. Sommige uitlatingen of scènes in latere verhalen komen tegenwoordig racistisch over.

Door Gottfredsons lange staat van dienst ligt er dus nog veel in het verschiet om gebundeld te worden. Schrik niet, want het zal vijftien jaar duren tot de reeks compleet is! En dan zouden tussendoor nog de Sunday pages (die hier niet zijn opgenomen omdat Gottfredson er zelden mee te maken had) aan bod komen. Profiteer er nu van vooraleer de latere bundels vol losse gags komen te staan. Het krantensyndicaat legde deze gagformule op waardoor Mickey niet langer de wereld rondreisde in lange vervolgverhalen. Doorheen de decennia evolueerde Mickey dan toch naar een gesettelde voorstadsmuis. Een van zijn opvolgers kreeg het nog wel zo ver om toch weer een vervolgformule te gebruiken, terug naar de basis, zolang het niet langer duurde dan een week of drie.

Afsluiten doen we met een oproep aan vastgeroeste striplezers en -verzamelaars. Wie het Engels machtig is en er even genoeg van heeft om voor de zoveelste keer Kuifje of Robbedoes en Kwabbernoot en een roedel komische avonturenstrips uit de gouden periode van de Franco-Belgische school te herlezen, raden we ten stelligste deze nieuwe Mickey Mouse-reeks aan.


 
14/07
 
 
Captain Biceps (besproken door David Steenhuyse)
In deze rubriek proberen we — naast het aanprijzen van onvertaalde pareltjes — ook aan te tonen dat comics meer zijn dan alleen superheldenstrips. En dan kom ik nota bene met een Franse superheldenreeks aanvliegen. Hold it! Captain Biceps is een groteske en absurde parodie op alles wat spandexpakjes draagt, bodybuildersspieren laat rollen en superkrachten heeft. Er mag hier al eens gelachen worden ook. De verantwoordelijken voor zijn uitspattingen zijn Tébo en Titeuf-auteur Zep. Nadat de eerste gags in het stripmaandblad Tchô verschenen, gaven de lezers uitgeverij Glénat — die er niet voor te vinden was — ongelijk door zelfgetekende grappen op te sturen en lovende reacties te geven. In augustus 2011 verschijnt een vijfde gespierde bundeling. In 2004 verscheen het eerste. Ondertussen bestaat er ook al een animatieserie met 78 korte filmpjes van elk acht minuten.



Zoals zijn naam al aangeeft, is Captain Biceps uitermate sterk. Een vuistdikke roman is in zijn geval te herleiden naar een 26-dlige encyclopedie. En hij woont nog bij zijn dominant moedertje dat hem steevast bij zijn echte naam Elmer blijft noemen en zijn gescheurde onderbroeken naait. Als puisterig en ros jongetje werd hij supersterk nadat zijn moeder zijn "debiele" comicverzameling met de vuilniswagen meegaf. Elmer dook in de laadbak die toeklapte. Door een biochemische reactie van het vuilnis en de strips veranderde hij in een supergespierde jongen. Voor zijn moeder was 't best oké, zolang hij sito presto begon met het opruimen van de vuiligheid die zijn transformatie met zich meebracht. Net zoals de mutanten in X-Men liep hij school bij gelijksoortigen, dus bij andere kinderen die zich zouden ontwikkelen als geliefde superhelden of gevreesde superschurken. Ook al is Biceps een volwassen man, zijn moeder blijft hem behandelen als een kind. Ze geeft hem standjes of ziet er nauwlettend op toe dat hij zich gedraagt en zich goed verzorgt.


Omdat hij in elke gag van één tot twee pagina's voor een andere superheld of superslechterik komt te staan, volstaat zijn spierkracht niet altijd. Afhankelijk van de tegenstander en diens superkracht moet hij een beroep doen op zijn vindingrijkheid. Soms resulteert dat in de meest primaire reacties met scatalogische gevolgen. Dat brengt me meteen tot mijn onbegrip over het feit dat De Kleine Robbe en de veel minder scabreuze Cédric wèl en Titeuf niet lijken aan te slaan in het Nederlandstalig gebied. De pipikakagrappen van Robbe en Titeuf kennen eenzelfde niveau, of je dat nu hoogstaand vindt of niet. Ook Captain Biceps zou een identiek publiek kunnen aanspreken. Cultruele verschillen gaan voor mij niet op, vermoedelijk ligt het aan de marketing van de uitgever. Zo verschijnen in Tchô en de gelijknamige collectie van Glénat nog wel meer komische stripreeksen die aandacht in deze rubriek verdienen. Skater Franky Snow, het eveneens door Zep geschreven Les Chrono Kids (waarin een broer en een zus door de tijd reizen om er onbedoelde stommiteiten uit te halen), Malika Secouss (over een immigrantenmeisje en haar allochtone vrienden in de sombere banlieus van Parijs), het teerbeminde omaatje Mamette, die qua toon doet denken aan Mamy uit de stripreeks Jojo, en Tony et Alberto (de Bollie en Billie van de 21ste eeuw). Enkel Lou! en Titeuf kennen een vertaalde versie.



Nu goed. Een standaardgrap van Captain Biceps bestaat uit een gevecht tussen Biceps en een sterke tegenstander. Dat kan net zo goed een gekend personage zijn als de Hulk, Spider-Man, Batman, Elektra ("half vrouw, half ninja") of Wonderwoman waarvan de namen dikwijls worden verhaspeld naar bijvoorbeeld Wonderbra Woman. Veelal is de tegenstrever een door Tébo en Zep bedacht personage van wie de krachten de grap dienen. Als Biceps hen weet te verslaan, druipt hij met de vuist vooruit hollend af en zegt zelfvoldaan "Captain Biceeeps". Hij delft het meest het onderspit als een vrouwelijke tegenstander voor hem staat want in deze gevallen lukt het hem niet om hen in de eerste plaats te versieren. Naast de meeste gags staan enkele prenten met onderschriften die meer achtergrondinformatie geven over Biceps' tegenstanders: hun origine, hun zwakheden, hun krachten,... het zijn bijkomende cartoons.



Visueel spreken de gags meestal voor zich. Dat helpt al om te beslissen of het je aanstaat of niet. Toch zijn de replieken extraatjes om van te smullen. Elke gag heeft bovendien een titel die een regelrecht, overdreven compliment aan Captain Biceps' adres is. Dat gaat dan van "De grootste superheld aller tijden!" over "Zodanig sterk dat hij zijn neusharen kan uittrekken zonder te huilen als een meisje!" en "Met zijn biceps kan hij bergen oplichten... behalve als hij belangrijkere zaken te doen heeft!" tot "Hij heeft buikspieren in de plaats van hersenen!" dat weliswaar een minder ronkende aanhef voor een heldendicht is. Intelligentie is inderdaad niet Biceps' grootste troef. Nog meer dan spierkracht is humor gelukkig het sterkste wapen dat deze gagserie kenschetst.


 
07/07
 
 
Daytripper (besproken door David Steenhuyse)
In tegenstelling tot wat de smaakpolitie mij probeert op te dringen, hield ik helemaal niet van het door De Vliegende Hollander vertaalde Umbrella Academy. De tekeningen van Gabriel Bá vond ik best oké, maar het atypische superheldenverhaal kon me niet genoeg bekoren om daarom zijn verdere carrière op de voet te volgen... Tot zijn nieuwste worp Daytripper her en der werd opgepikt als een fantastische aanrader.

Doorgaans ben ik beducht op ontgoochelingen als plots 'iederéén' een strip blijkt goed te vinden, dus had ik bij voorbaat reserves bij het lezen... neen, ontdekken van Daytripper. Nu kan ik met reden inhaken in de rondedans rond de vrucht van de Braziliaanse tweelingbroers Gabriel Bá en Fábio Moon. Sta niet te veel stil bij die twee namen, ze zijn fictief.

Brás de Oliva Domingos schrijft voor een krant overlijdensberichten. Het is allerminst een hoogstaande vorm van schrijven, maar in zijn formuleringen schuilt meer dan alleen kunde. In afwachting van zijn eigen grote schrijverscarrière helpt het baantje om rond te komen. Zijn vader is wel een succesvolle schrijver. Zoiets schept natuurlijk extra druk. Tijdens het aanhoren van goede raad van zijn vader denkt Brás plots: "I hate you -- you piece of shit!" Om maar te zeggen dat een moeilijke vader-zoonrelatie als een rode draad door de bundel van de tiendelige comicreeks loopt.



Na elk van de eerste acht hoofdstukken komt Brás om het leven. Het getal als titel van elk hoofdstuk geeft aan op welke leeftijd dat is: als jochie van 11, als bruisende twintiger van 21 die op ontdekkingsreis is met zijn beste vriend en collega Jorge, als gevierde schrijver op zijn 38ste, als kersverse vader op zijn 41ste, enzovoort. Elk van deze hoofdstukken wordt afgesloten met zijn eigen overlijdensbericht. Het hoofdstuk erna is een voortzetting van zijn leven alsof er geen ongeluk gebeurd is. Je zou je voor minder afvragen wat de zin van het leven is. En net dat vraagstuk over dood en leven is een ander, meer verborgen thema in Daytripper.



Omdat de hoofdstukken niet chronologisch aan elkaar zijn gevlochten, kom je met mondjesmaat bepaalde zaken te weten die in volgende hoofstukken van een groter belang zullen zijn. Brás' liefdesleven kent extreme hoogtes en diepe laagtes. Jorge bekijkt het leven van een luchtiger kant en wil zijn maatje de ogen doen openen. Op een compleet andere manier doet Brás' vader dat eveneens. Zonder al te veel te willen verklappen, geef ik nog mee dat Jorge op zijn beurt door de woestijn — zowel letterlijk als in de Bijbelse betekenis — om daarna tegen — figuurlijk — een muur te lopen. Hebben ouders dan toch altijd gelijk?



Brás is onderhevig aan tal van emoties. In de levenscyclussen die volgen, vallen hem verdriet en opperste vreugde te beurt. Omdat ik bij alle soorten verhalen over relaties tussen vaders en zonen dikwijls met een krop in de keel zit (laatst nog met het sublieme Het Dagboek van Mijn Vader van Japanner Jirô Taniguchi), hield ik de zakdoek al bij de hand. Maar zo'n soort tearjerker met effecten is Daytripper niet. Bovendien wil ik hier nu niet overkomen als een cry baby. Onthoud ook nog dat Brás het beter wil doen dan zijn vader bij zijn eigen zoontje. Een opgedoken verrassing op het einde maakt nochtans helemaal duidelijk dat... ja, alsof ik dat nu zou verklappen!



Een extra pluim verdient inkleurder Dave Stewart. Op gepaste momenten kleurt hij buiten de lijntjes, steeds met warme, Zuid-Amerikaanse tinten en met aquareleffecten. Mooi!

Daytripper is een album van 256 pagina's dat je in één ruk uitleest. Onderbreek je lezing enkel mocht je zoon of je vader je tijdens het lezen komen storen. En zeg 'm dan oprecht dat je 'm graag ziet. Voor je het weet, krijg je die kans nooit meer opnieuw.


 
04/07
 
 
Crossed (besproken door Peter Moerenhout)
Marvel Zombies, Pride & Prejudice & Zombies, Raise The Dead,... zombies zijn hot in het land der comics. The Walking Dead, de succesvolle comic, die nu ook te zien is als tv-reeks, trapte deze revival in 2003 in gang. De meeste van de comics die nu hun voordeel doen met de hype vergeten echter wat The Walking Dead zo groots maakt: de emoties en de psychologie van de menselijke protagonisten. Er is echter één reeks die erin slaagde om op hetzelfde niveau de menselijke psyche te verweven met een gorefest: Crossed. En omdat The Walking Dead al door Silvester in het Nederlands wordt uitgegeven, zal ik het nu over Crossed hebben.

Crossed kwam als miniserie van tien delen uit in 2008 bij Avatar Press. Diegenen onder u die deze Amerikaanse uitgeverij kennen weten dat dit geen uitgever voor mietjes is. Ze geloven daar immers niet in censuur. Bij de reguliere Amerikaanse comicuitgevers gelden heel wat regeltjes over wat mag en wat niet mag. In Marvel-comics mag er — net zoals in de Belgische cafés sinds kort — bijvoorbeeld niet eens gerookt worden.



In de begindagen van Avatar Press leidde deze visie tot heel wat slechte comics die draaiden rond blote borsten, ingesmeerd met rottende stukjes hersenen. Beetje bij beetje is Avatar uit dat kwaliteitsloze dal gekropen. Meer en meer steengoede stripscenaristen liepen immers al tijden rond met goede ideeën die net iets te ver gingen voor de doorsnee Amerikaanse lezer en Avatar Press gaf hen, in wat we gerust een meesterzet kunnen noemen, een podium. Sindsdien kwamen er bij de uitgeverij reeksen uit van de hand van grootmeesters als Alan Moore, Warren Ellis, Jamie Delano, Mark Millar en Garth Ennis. Die laatste is bekend van tal van klassiekers waaronder Preacher, Hitman, The Boys en vernoemenswaardige runs op The Punisher en Hellblazer. En Crossed, dames en heren, kwam ook uit zijn koker.

De invalshoek van de reeks geeft een nieuwe draai aan het zombiesconcept. De opzet volgt nochtans min of meer de normale paden: een mysterieuze plaag breekt uit, doorgegeven via lichaamssappen, de geïnfecteerden beginnen een massale slachtpartij onder de wereldbevolking en het verhaal focust op een klein groepje overlevers en wat ze moeten doen om dat leven te behouden.

Totaal anders is het gegeven dat de geïnfecteerden hun verstand niet verliezen. Die geïnfecteerden zijn de crossed uit de titel vanwege het kruis van zweren dat zich bij besmetting op hun gezicht vormt. Doorsneezombies dolen traag als seniele slakken rond onder het kreunen en wauwelen van het klassieke "BRAAAAAAAAINS!" Zo niet de crossed. Bij hen valt enkel het laagje vernis dat wij beschaving noemen weg. De crossed verliezen al hun sociale remmingen, maar niet hun intelligentie, noch worden zij beperkt in hun fysiek.

Dit concept garandeert twee dingen. Ten eerste kunnen er allerhande vragen gesteld worden die in andere zombievehikels minder aan bod komen zoals "Wat is beschaving?" en "Wat maakt ons menselijk?". En ten tweede maakt het de horror des te gruwelijker. Vooral dat tweede aspect is van belang in het onderscheid tussen deze strip en de anderen. In sommige reeksen zoals The Walking Dead en de Living Dead-films komen er immers ook dergelijke filosofische onderwerpen aan bod. In Crossed krijgen we daarentegen te maken met denkende wezens die allerhande attrociteiten begaan waarvan de haren op de huid kan rechtspringen als waren ze leerlingen in de klas van een Jezuïtencollege waar net de directeur is binnengetreden. De crossed zijn meesters in het uitdenken van psychologische gruwel. Ze gebruiken de zwakheden van hun slachtoffers om meer slachtoffers te lokken en willen niet enkel in het rondneuken en verminken, neen, ze willen ook dat hun slachtoffers psychologisch afzien. Het feit dat Ennis een meester is in waarachtige dialogen en het uitwerken van geloofwaardige personages maakt de zaken er alleen nog pijnlijker op. Hoe realistischer het personage, hoe dieper de impact op de lezer.

 
Je raadt het ondertussen al: dit is geen reeks voor mensen met een zwak hart. Ennis schrijft met nietsontziende pen, en ook in het tekenwerk worden de gebeurtenissen op zeer grafische wijze verbeeld. Dit is, zonder weerga, de bloedstollendste strip die ik ooit gelezen heb. En dat wil wat zeggen... Alles wordt tot in het afgrijselijkste detail neergetekend door Jacen Burrows. Burrows is in principe de top dog van Avatar Press. Hij is, in tegenstelling tot bijna alle andere comictekenaars, geen jobhopper. Zijn bibliografie bestaat uit een tiental reeksen, allemaal bij Avatar Press. Ofwel is de man zeer loyaal, ofwel betaalt de uitgeverij hem een royaal bedrag per reeks.

Dat zou trouwens zeer slim zijn van Avatar Press want de man is een toptalent. Burrows tekent in een stijl die we met een beetje verbeelding een realistische variant van de klare lijn kunnen noemen. De eenvoud van zijn tekeningen maken dat zijn pagina's zeer duidelijk leesbaar zijn en het realistische aspect ervan sleuren je als lezer in de strip. Burrows heeft bovendien het voordeel dat hij in staat is mooie composities te mengen met geloofwaardig acterende personages en een schwung in de actiescènes die menig andere tekenaar jaloers zou kunnen maken.


Ook vermeldenswaardig in deze reeks is de humor. Men zou het niet verwachten wanneer men het onderwerp in acht neemt, maar er zitten wel degelijk grappen in de reeks, zij het wel van de gruwelijke variant. Ennis slaagt erin om de meest tragische gebeurtenissen een vleug komedie mee te geven. Toegegeven, je zal niet luidop zitten gieren. Tenzij je psychopathische trekjes vertoont. In de scène die ik deze keer als favoriet heb uitgekozen zie je een voorbeeldje daarvan. De term tragikomisch was sinds de oude Grieken nimmer meer in deze mate van toepassing.

Veel mensen zouden deze reeks tot de categorie pornografisch geweld veroordelen en wanneer je de strip enkel doorbladert zou dat zelfs begrijpelijk zijn. Wie de strip echter ook effectief leest, zal merken dat een meer menselijke strip maken amper mogelijk is. Het dier de Mens wordt hier ontleed in al zijn facetten: de positieve zoals moed, opofferingsvermogen en hulpvaardigheid, maar ook de negatieve. Net echt.


Favoriete scène
Een waarschuwing op voorhand. De volgende scène bevat zeer schokkende beelden en eveneens spoilers.

Joel, een sciencefictionnerd, gelooft dat de crossed, naar analogie met zombies en dergelijke in de film, een zwakke plek moeten hebben. Hij heeft er ooit één een zak zout in het gezicht geslingerd waarna die kermend ter aarde zeeg. Uiteraard zou iedereen die zoiets meemaakt het uitschreeuwen van de pijn dat een handvol zout in de ogen veroorzaakt, maar Joel kiest ervoor om te blijven hopen. Het is als het ware zijn houvast temidden van de gruwelijke situatie waarin de mensheid zich in deze reeks bevindt.

Op een bepaald moment dwingen de gebeurtenissen hem om zijn theorie te testen. Een groep menselijke overlevers, waaronder zijn vrouw en dochtertje (genaamd Arwen, begot!), wordt in een bos ontdekt door de crossed en moet op de vlucht slaan. Wat volgt is een van de pijnlijkste stripmomenten die ik ooit onder ogen gezien heb en in zekere mate zit er een heel klein beetje humor in de tragiek. Ik heb het hier over het aspect van de nerd die tenonder gaat aan zijn nerdiness. Nogmaals, je zal er niet om moeten lachen. En doe je dat wel, dan hoop ik dat je snel professionele hulp zoekt...









Beschikbaarheid
Crossed, in softcover of hardcover, verzamelt deel 0 tot en met 9.
In het kader van de compleetheid: David Lapham, ook geen foute auteur, heeft na de reeks van Ennis de schrijverspen overgenomen. Intussen heeft hij drie nieuwe series aan de canon toegevoegd:
Crossed: Family Values, 7 delen, gebundeld in softcover en hardcover, tekeningen: Javier Barreno.
Crossed 3D, 1 deel in, jawel, 3D mét brilletje erbij, tekeningen: Gianluca Pagliarani.
Crossed: Psychopath, momenteel drie van zes delen uit, tekeningen: Raulo Caceres.
De reeksen van Lapham zijn eveneens van een hoge kwaliteit, maar ze bereiken het niveau van de eerste reeks niet. Ook het tekenwerk, hoewel zeker niet slecht, kan niet tippen aan dat van Burrows.

MEER BESPREKINGEN VAN PETER MOERENHOUT: http://petermoerenhout.wordpress.com